© Erik Smits
Al zijn hele carrière vertelt Jörgen Tjon A Fong (50) vergeten verhalen uit de cultureel diverse samenleving. Hollandse meesters herzien leverde wat nieuws op: ‘Het voelde als een spirituele ervaring.’
Door Roger Abrahams
Niet heel Nederland kent Jörgen Tjon A Fong, maar Jörgen Tjon A Fong wil wel heel Nederland leren kennen. Naar eigen zeggen kijkt hij ‘alles’ op televisie, omdat hij wil weten wat zich buiten zijn eigen bubbel afspeelt. Die bubbel ligt ergens in de Amsterdamse grachtengordel. Ga maar na: Tjon A Fong is directeur van theater de Kleine Komedie, trad als curator op bij toonaangevende musea als het Rijksmuseum en laat zijn hoofd regelmatig zien op de buis, bijvoorbeeld in De slimste mens. En nu weer als presentator van Hollandse meesters herzien, over 17de-eeuwse schilderkunst. Op en top elite? Nee, toch niet. Tjon A Fong stamt uit een Chinees-Creools gezin uit Suriname. Hij groeide op in Oudenbosch (Noord-Brabant) en Utrecht. Voordat hij directeur werd, maakte hij met zijn eigen theatergezelschap Urban Myth ruim twintig jaar lang voorstellingen over culturele diversiteit – een fenomeen dat hij zoekt achter die schilderijen van Hollandse meesters. Een stijve bestuurder is hij ook al niet, zo zien we wanneer hij aanschuift. Boven een felgekleurd jasje van Jekkah (niet op de foto) twinkelen twee ogen van de geestdrift waarmee hij vertelt, of anders klinkt zijn klaterende lach. Eigenlijk wilden we Tjon A Fong ontmoeten in zijn kantoor in de Kleine Komedie, maar hij stelde een andere plek voor, op een steenworp afstand.
Je wilde in de brasserie van het Amsterdam Museum afspreken. Waarom? Ik ben jaren geleden door dit museum gevraagd om een tentoonstelling te ontwikkelen over Ferdinand Bol en Govert Flinck, de kunstschilders uit de 17de eeuw. Ik was theatermaker en mijn eerste reactie luidde: nee, want ik ben geen kunsthistoricus. Bovendien had ik niet veel met de tijd die door sommigen de Gouden Eeuw werd genoemd. Totdat ik erachter kwam dat mijn ideeën over die periode niet klopten. Onderzoekers die bij de tentoonstelling betrokken waren konden aantonen dat in de tijd van Bol en Flinck er een gemeenschap van minstens tweehonderd mensen van kleur in Amsterdam woonde, rond de Nieuwmarkt en het Waterlooplein. Dat verhaal wilde ik verwerken in de tentoonstelling. Alleen: dat kon niet en er waren ook geen objecten bij te vinden. Daar was ik gefrustreerd over. Na een gesprek met het museum heb ik de tentoonstelling Hollandse meesters her-zien geïnitieerd, die in 2019 werd geopend: grote fotoportretten van prominente Nederlanders – zoals Ruud Gullit, Typhoon en Tania Kross – die in de huid kruipen van mensen van kleur uit de 17de eeuw. Die foto’s hebben in de eregalerij van het Amsterdam Museum gehangen, tussen de klassieke regentenportretten. Sommige hangen er nog steeds. Hier is het televisieprogramma dus geboren. Ik wil verhalen vertellen over mensen van kleur uit de 17de eeuw die je mist op de schilderijen, maar die er wel degelijk waren. En niet alleen in Amsterdam: in heel Nederland was die diversiteit aanwezig.
In de eerste aflevering ga je met historicus Mark Ponte naar het stadsarchief van Amsterdam. Jullie zijn op zoek naar de ondertrouwakte van Lijsbeth Pieters, een zwarte vrouw die in de 17de eeuw in dezelfde straat als Rembrandt woonde, bij het Waterlooplein. Het zien van die akte raakt je zichtbaar. Waar zit hem dat in? Ik ben geen emotioneel mens, maar op dat moment vielen een paar puzzelstukjes in elkaar. Ik heb zelf lang bij het Waterlooplein gewoond. Historisch gezien een interessante plek, maar in dat opzicht voelde ik er geen speciale connectie mee. Alleen, toen ik in dat stadsarchief opeens oog in oog kwam te staan met die akte, waarop zij een kruisje had gezet, omdat ze niet kon schrijven... Zij had dat stukje papier aangeraakt. Doordat ik het ook aanraakte, raakten onze levens elkaar. Haar onbekende geschiedenis kwam tot leven. Ik wil het niet te groot maken, maar doe het toch: het voelde als een spirituele ervaring.
Om met Johan Huizinga te spreken: een historische sensatie. Ik kan me voorstellen dat mensen het overdreven vinden, maar door dat moment realiseerde ik me dat mijn aanwezigheid op deze plek niet toevallig is. Dat een zwarte vrouw, Lijsbeth Pieters, rondgelopen heeft in de Jodenbreestraat, een paar eeuwen eerder dan ik… Mijn aanwezigheid als Surinaamse man van kleur past dus in een traditie. Ik had onderschat hoe belangrijk dat was. Ik ben opgevoed met kunst, ben altijd naar musea gegaan, maar pas door het maken van deze televisieserie kwam ik achter het belang van die persoonlijke connectie. Als je je niet kunt identificeren met de werken die je aan de muur ziet, met de mensen die afgebeeld zijn of de verhalen die verteld worden, dan kan je de esthetische waarde ervan wel waarderen, maar mis je de emotionele band. Rembrandt heeft letterlijk zwarte buren gehad! Als hij door zijn straat had gelopen om boodschappen te doen en hij had mij gezien, dan had hij niet raar opgekeken.
Terwijl we dat wel zouden verwachten. Tuurlijk! Er werden in die tijd vrijwel alleen witte mensen afgebeeld, en de schilderijen met hoofdfiguren van kleur zijn niet bewaard gebleven.
Welke andere verhalen heb je opgediept? Jacobus Capitein (1717–1747, red.) werd als kind gestolen uit Ghana en vervolgens cadeau gedaan aan een koopman van de West-Indische Compagnie in Den Haag. Die gebruikte hem niet als statussymbool, wat voorkwam in die tijd, maar zag dat het een intelligent jongetje was. Hij stelde hem in de gelegenheid om theologie te studeren aan de universiteit van Leiden. Daar heeft Jacobus een proefschrift geschreven – waarin hij de slavernij vanuit een christelijk perspectief verdedigt. En later ging hij terug naar Afrika om zwarte mensen te bekeren. De buitenkant van dit verhaal is prachtig. Dat Jacobus zijn intellectuele capaciteiten gebruikte om de slavernij te legitimeren is problematisch. Maar ja, wat had ik gedaan als ik in Jacobus’ schoenen had gestaan? Wanneer je in een koloniaal systeem leeft met een hiërarchie gebaseerd op afkomst en huidskleur, waarbinnen je als persoon je eigen plaats moet vinden en overleven – dat is ingewikkeld.
Hoe kan het nou dat dit soort verhalen vrijwel onbekend zijn, ondanks al het historische onderzoek dat voortdurend wordt gedaan? Cruijffiaans gezegd: je gaat het pas zien als je het doorhebt. Ida Does heeft de mooie documentaire Nieuw licht gemaakt, over een schuttersstuk in het Rijksmuseum waarop in het midden een zwarte jongen met een rode doek staat afgebeeld. Jarenlang is hij over het hoofd gezien. We wisten van alle andere figuren wie ze waren, maar van hem vroeg niemand zich dat af. Een blinde vlek, letterlijk. Ik zeg niet dat daar kwade bedoelingen achter zaten, maar het is wel gek. Zo zijn er meer voorbeelden.
Over de Gouden Eeuw… De 17de eeuw.
Precies dat onderwerp wilde ik aansnijden. Jij was toch betrokken bij de afschaffing van de term Gouden Eeuw door het Amsterdams Museum? Toen ik de tentoonstelling Hollandse meesters Her-Zienontwikkelde, gaf ik met enkele anderen, onder wie de curatoren van het museum, vrij snel aan dat die term niet passend was. Daarop volgde intern discussie. Aanpassing leek niet haalbaar. Totdat de wereld veranderde en de maatschappelijke druk zo groot werd dat het museum er een signaal in zag. De gesprekken werden hervat en er werd besloten dat de term Gouden Eeuw niet meer zou worden toegepast. Ik had wel wat rumoer verwacht rond die beslissing, maar niet dat we de nationale politiek of het internationale nieuws zouden halen. Zelfs The New York Times schreef erover.
Het is nog steeds een veelgebruikte term. Is dat zo omdat Gouden Eeuw nu eenmaal een algemene aanduiding is voor een bloeiperiode? In het kleine Nederland stond in een korte periode uitzonderlijk veel talent op – in de schilderkunst, de wetenschap, de politiek – en de Republiek werd een wereldmacht. Dat onderscheidt die periode van de jaren ervoor en erna. Waarom zou je dat onderscheidende weghalen? Je haalt niks weg. Je hoeft niet kwijt te raken dat het een bloeiperiode was in bepaalde sectoren in Nederland. Je probeert vollediger te zijn. De term – die achteraf, in de 19de eeuw bedacht is – suggereert dat het een Gouden Eeuw voor heel veel mensen was. Als je het alleen maar over de schoonheid en de rijkdom hebt, ga je voorbij aan het feit dat die gebouwd zijn op het koloniale systeem. Dat wordt terloops een zwarte bladzijde genoemd, maar in die periode zijn zaken fundamenteel misgegaan en daar ondervinden mensen nu nog steeds de gevolgen van. Dat moet je niet verbloemen.
Je kunt de term gebruiken en tegelijkertijd de afschuwelijke kanten belichten. Daar kun je natuurlijk over discussiëren. Ik ben in ieder geval blij dat de tentoonstelling het bewustzijn rond de term Gouden Eeuw heeft vergroot, want dat was daarvoor nog niet zo. De televisieserie gaat trouwens niet over deze discussie. Wel ben ik er trots op dat ze echt een ander perspectief laat zien op die tijd.
Heb jij het zoeken naar andere perspectieven van huis uit meegekregen? Jij moest in je jeugd constant schakelen tussen twee culturen. Klopt. En dat is niet per se iets negatiefs. Het heeft me geleerd om met verschillende mensen om te gaan en situaties in te schatten. Los van hoe ik op ben opgegroeid, denk ik dat geschiedenissen – ook persoonlijke en familiegeschiedenissen – altijd bepaalde systemen faciliteren. Ik vind het mijn taak als kunstenaar om die systemen onder de loep nemen.
Deed je dat als kind ook al? Nou, ik heb als puber wel flinke discussies met mijn moeder gehad. Als ik vroeg waarom ik iets moest doen en ze antwoordde ‘omdat ik het zeg,’ dan schoot ik tegen het plafond. Dat staat voor mij symbool voor een systeem waarin autoriteit vanzelfsprekend is en niet bevraagd kan worden. (schiet in de lach) Ik heb zelf drie kinderen, dus ik snap inmiddels dat je als ouder niet altijd de energie hebt dingen uitgebreid uit te leggen, hoor.
Tjon A Fong doorliep de middelbare school in Utrecht, waar het gezin met drie kinderen na de dood van zijn vader naartoe was verhuisd. In zijn vrije tijd stond hij op de planken, bezeten van het toneel als hij was. Omdat zijn moeder hem echter liever ‘een vak’ zag leren, begon Tjon A Fong aan een studie Engels in Amsterdam. Niet veel later belandde hij alsnog op de toneelschool. Daarna ging het hard. Net afgestudeerd richtte hij in 2001 theatergezelschap Urban Myth op, dat een reputatie zou verwerven met maatschappelijk geëngageerde voorstellingen op het gebied van diversiteit.
Wat dreef je om je eigen gezelschap te beginnen? Ik kende geen theatergroep die de voorstellingen maakte die ik wilde maken. Toen dacht ik: dan doe ik het maar zelf....
Lees verder in VARAgids 39, vanaf dinsdag 24 september in de winkel, op de mat en in de app (alleen voor VARAgids-abonnees). Word ook abonnee!
Ontvang elke werkdag de beste kijktips met de Avondeditie-nieuwsbrief