
Een analyse van 50 jaar bezuinigingsdrift
Voor velen was het coalitieakkoord van VVD, CDA en D66 even slikken. De koppen logen er niet om. De coalitie verhoogt het eigen risico, belastingen en de AOW-leeftijd. De coalitie gaat zorg voor chronisch zieken verder afbreken en sociale zekerheid versoberen. Niet in de laatste plaats voor wapens onder het mom van een Orwelliaanse vrijheidsbijdrage. En tot overmaat van ramp zijn de plannen om de grootste wooncrisis sinds de oorlog aan te pakken erg beperkt. Alsof er niet nu al gezinnen in auto’s en garageboxen slapen. Maar de coalitie gaat vooralsnog helemaal niets. Ze hebben immers geen meerderheid. Vanuit dat perspectief was het ook wel te verwachten dat het trio de begroting conservatief zou insteken. Of dat slim was is de vraag, ze zullen toch echt moeten onderhandelen. Dat biedt een goede gelegenheid om eens wat dieper te kijken naar de herkomst van die bezuinigingsdrift en, nog belangrijker: werkt het überhaupt?
Zuinigheid en sparen zit haast in de Nederlandse aard en er zijn natuurlijk veel publieke uitgaven die bedenkelijk zijn. Maar waar het voor uw huishoudboekje vaak beter is om te zorgen dat u minder uitgeeft dan u binnenkrijgt, ligt dat bij overheidsuitgaven toch een stuk minder eenvoudig. Zo erkent het CPB bijvoorbeeld steeds meer de bredewelvaartseffecten, zoals langetermijneffecten van onderwijs. Verschillende internationale studies laten eveneens zien dat bijvoorbeeld goede zorg, goed onderwijs en voldoende betaalbare woningen, essentieel zijn voor een welvarende samenleving en economie. Het CPB geeft echter ook aan dat bij het doorrekenen van begrotingen, deze effecten kwantificeren lastig blijft. Daardoor lijken veel zinnige uitgaven al snel kostenposten.
Met het schrappen van de bezuinigingen op onderwijs en investeringen in innovatie lijkt de coalitie daar niet volledig blind voor. Bij deze plannen is het echter lastig te zeggen wat een paar miljoen meer of minder nou precies voor effect heeft. Dat neemt allemaal niet weg dat hersenspinsels, zoals het verhogen van het eigen risico naar 460 euro om de vraag naar zorg te drukken, wel behoorlijk cynisch zijn. Onderzoeken suggereren dat het verhogen van het eigen risico negatief uitpakt. Maar ja, we moeten harde keuzes maken is het verhaal. Dat de coalitie zich aan een 2% begrotingstekort houdt was het eerste punt dat 'uitlekte'. De staatsschuld is typisch iets waar men, zeker met het oog op de vergrijzing, constant doemscenario’s over oproept. Maar in landen waar die schuld veel hoger is (België, Frankrijk, Japan, VK, etc.) komen die scenario’s steeds maar niet echt uit in de recente geschiedenis. Sterker nog, private schulden lijken meestal de oorzaak van een crisis, wat vervolgens wel degelijke volledige economieën onderuit kan trekken. Bij al die doemscenario’s en dogma’s kunnen we ons dus afvragen: is dat allemaal wel zo?
In de afgelopen decennia zien we dat bezuinigen ook op fundamenteel economisch niveau regelmatig stomweg averechts werkt. Zo laat een IMF-studie onverwacht grote averechtse effecten zien van bezuinigingen tijdens een recessie. Vooral de draconische bezuinigingen na de krediet- en bankencrisis in 2008 leverden weinig op behalve meer ellende. Bij het reduceren van overheidsuitgaven blijkt het bbp vaak langdurig meer krimpt dan de schuld, wat dan uiteindelijk vaak juist alleen meer schuld oplevert. Wij produceerden in deze tijd de pechgeneratie. De “kinderen opzadelen met onze schulden” krijgt zo een andere betekenis. Het roept de vraag op of economieën nog enige groei vertonen dankzij bezuinigen of ondanks bezuinigen. Nu zit ons land momenteel niet in een recessie, maar oplopende werkloosheid en massaontslagen zijn niet direct de beste voortekenen. Een meer technische analyse suggereert dat zelfs binnenlandse uitgaven die ogenschijnlijk niks opleveren toch de economie kunnen aanjagen. Uitgaven van de één zijn immers de inkomsten voor de ander en zo gaat geld rollen en houden we werkgelegenheid en (vraag naar) productie in stand. Het is dan dus helemaal niet zo dat de overheid de private sector wegdrukt.
Als we dit narratief platslaan dan was het stimuleren en reguleren van de vraagzijde van de economie de kern van de zogenaamde Keynesiaanse consensus tussen de oorlog en eind jaren 70. Deze ‘sociaaldemocratische’ periode was een tijd van enorme groei en stabiliteit, Les Trente Glorieuses. Er was alleen een probleem: hardnekkige inflatie in de jaren 70. Hier begint de bezuinigingsdrift onder invloed van beleid dat we nu grofweg ‘neoliberaal’ noemen. Vooral in de jaren 80 won het idee dat inflatie werd veroorzaakt door te veel overheidsuitgaven en geldcreatie. Niet geheel onwaar, maar in werkelijkheid speelde ook de oliecrisis en het opblazen van de dollar-goud standaard samen met het Bretton Woods systeem, bekend als de Nixon-Schok tussen 1971 en 1973, een grote rol. Op de achtergrond zagen sommige beleidsmakers deze filosofie echter vooral als een goede manier om de macht van arbeid en vakbonden te breken. Zoals de hoofdeconoom onder Thatcher, Sir Alan Budd, in een BBC-documentaire in 1992 openlijk toegaf. Immers, werkloosheid tempert looneisen en dat maakt ons “concurrerend”. Het stimuleren van de economie ging ondertussen nooit daadwerkelijk weg, maar dat moest vanaf nu vooral de private aanbodzijde zijn. De harde basisaannames van het neoliberalisme worden diep in technocratische instituties gemetseld in de jaren 90. Wel met een iets menselijker gezicht onder de derde weg. De financiële sector en wereldwijde kapitaalmarkten werden ondertussen gedereguleerd. Dit zijn de typische fundamenten onder de wereldorde die aan het einde van geschiedenis ontstond.
Maar het zal u niet ontgaan zijn dat de geschiedenis weer is begonnen en dat die wereldorde afbrokkelt. Als we daarvoor een startpunt moeten geven is de crisis in 2008 wederom een goede kandidaat. Dat gedereguleerde financiële systeem faalde vrijwel volledig door speculatieve wanpraktijken. Centrale banken moesten massaal ingrijpen met ‘losse’ monetaire mechanismen (Quantitive Easing (QE), 0% beleidsrente, en de swap lines). Er was nooit geld en toen was het er opeens tóch, maar het ging vooral in kapitaal of assets zitten zoals aandelen en vastgoed. Hoewel dit erger voorkwam moeten onderzoekers en centrale banken steeds meer toegeven dat het monetaire beleid, vooral in combinatie met bezuinigingen anderzijds, grote ongelijkheid heeft veroorzaakt tussen mensen met en zonder kapitaal. Natuurlijk zagen we dat deze ongelijkheid altijd al impliciet in het systeem zat: marktdiscipline voor werkende mensen, maar bescherming, bailouts en stimulering voor kapitaal. Het is nu alleen wel heel opzichtig. Het stimuleert ook een bizarre economie van renteniers en losgeslagen zeepbellen, zoals we bij AI zien. Dit alles ondermijnt de geloofwaardigheid van budgetnormen en de technocratische instituties.
Ook de chaos op woningmarkten, die na 2008 in grote delen van de wereld opduikt, wordt steeds vaker gekoppeld aan de kredietcrisis en het beleid daarna. Als er nou één gebied is waar de geld- en kredietkraan dus wél veel te ver heeft opengestaan, waardoor prijzen zijn losgeslagen van inkomens, dan is het wel de markt van bestaande woningen. Vergelijkbaar beleid tijdens Covid deed er nog een schep bovenop. De hypotheekrenteaftrek maakt de overwaardering van woningen nóg erger en kost bovendien ongeveer 10 miljard per jaar op de rijksbegroting, wat onevenredig naar de top 20% inkomens gaat. Het was vanuit vrijwel ieder perspectief dé kandidaat om wél op te bezuinigen en juist daar wil de coalitie niet aanzitten. Die 10 miljard staat ook in schril contrast tot de 1 miljard die de coalitie in de woningmarkt wil investeren vanaf 2029. Men wedt op de markt en lijkt te denken dat de renteniers weer meer ruimte moeten krijgen. Iets wat al ten minste sinds Stef Blok zeer averechts uitpakt.
Al deze ogenschijnlijke inconsistenties en hypocrisie roepen de vraag op of we die bezuinigingsdrift en conventionele economische denkbeelden niet wereldwijd van tafel moeten vegen. Het is daarom misschien goed om te weten dat verschillende ‘dissidenten’ tegen de achtergrond van vermogensongelijkheid en wooncrisissen steeds meer aandacht beginnen te krijgen. In de progressieve hoek vinden we bijvoorbeeld de zeer kritische post-Keynesiaanse econoom Steve Keen, die bekend werd van het wél voorspellen van de kredietcrisis. Ook voorstanders van Modern Monetary Theory (MMT) zoals Stephanie Kelton lijken terrein te winnen, evenals Gary “belast vermogen, niet arbeid” Stevenson. Voor de volledigheid zien we aan de rechterkant van het spectrum ook veel beweging tegen de ‘mainstream’. Kevin Warsh, de beoogde nieuwe voorzitter voor de Fed, de Amerikaanse centrale bank, lijkt meer in die hoek te zitten. Hoe dan ook, het is zeer de vraag of de status-quo-koers van dit kabinet niet ingehaald wordt door de realiteit en averechts uitpakt.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.