
Julien Kooij: 'Weet je, moordenaars hebben ook dromen'
© Wijnanda Duits/BNNVARA
Eén ontmoeting in Tel Aviv zette de kijk van columnist Julien Kooij op oorlog compleet op z’n kop zette.
Wie ben ik om te schrijven over wat er allemaal in Iran, Gaza, Soedan en Oekraïne gebeurt. Dat denk ik altijd als ik weer het volgende nieuwsbericht lees met dodelijke koppen. Maar je wieg zal er maar staan. En er zal maar verteld worden dat je moet vechten.
In 2016 ging ik met vrienden naar Tel Aviv. Dat voelde al een beetje vreemd: naar het Midden-Oosten gaan, een plek die we vooral kenden van het nieuws. Maar Israël was veilig, wisten wij. Dat leerden we. En Tel Aviv was dé vrijhaven voor ons, een groepje homo’s en lesbiennes. Vrij. Westers.
De Palestijnen was een ander verhaal. Wij zagen hun aanslagen op het nieuws. Ze leken niet op mij: een boerenjongen uit de Noord-Hollandse polder, opgegroeid in een dorp met geen vijfduizend inwoners en weinig diversiteit. De grootste multiculturele invloed die we hadden was Chinees-Indisch Restaurant Peking in het dorp ernaast.
We gingen erheen voor zon, zee, drank en wat cultuur. Moreel voelde het comfortabel. Ja, er waren spanningen in het land, maar waar niet? Oorlog was nog een vaag begrip voor dit kleine boerenjochie. Iets waar mijn oma weleens over vertelde tijdens het schillen van de aardappelen. Maar dat was vroeger.
Op een avond liepen we een tl-verlichte nightshop binnen om drank te halen. Daar raakten we aan de praat met de eigenaar, een Palestijn. Geen debat, geen politiek, maar een gesprek over zijn leven. Ergens tussen het wisselgeld en de blikken bier door, begon mijn wereldbeeld een beetje te schuiven. Deze man had ook dromen. Wilde voor zijn gezin zorgen. Hij voelde zich helemaal niet veilig in die ‘vrijhaven’ die Tel Aviv heette.
Terwijl wij onze zonvakantie zonder zorgen vervolgden, besloot ik dat ik locals wilde ontmoeten. En het liefst een beetje knappe locals. Dus Tinder werd gedownload. We spraken af bij de oude haven aan zee. We gingen op een rots zitten en hadden het over het leven in Israël, over dromen en de toekomst.
Zijn grootste droom was om illustrator te worden. Hij wilde gewoon tekenen. Dingen maken. Ik vroeg of ik zijn werk mocht zien. Hij liet me een foto zien van een tekening. Die lag op zijn schoot. Daaronder lag zijn geweer. Niet symbolisch. Op de foto lag onder zijn tekening een geweer. Hij was tijdens zijn patrouille even gaan tekenen. Even op een bankje. Zijn droom bovenop en zijn realiteit daaronder. Want hij was verplicht het leger in te gaan.
In dat beeld zag ik iets wat ik niet kende: hoe vrijheid en onderdrukking soms letterlijk op elkaar liggen. Iemand die wil tekenen, maar leert schieten. Die leeft in angst, in een systeem dat zegt die angst te bestrijden, maar deze tegelijk in stand houdt.
Ik moest denken aan mijn oma. Als ze over de oorlog sprak, vertelde ze niet alleen over de ellende. Ze vertelde ook dat er Duitse soldaten in haar dorp waren die geen zin hadden in oorlog. Die vriendelijk waren. Met een gezin dat thuis op hen wachtte. En die toch ons land bezet hielden. Omdat ze moesten.
Misschien is dat wel de grootste misvatting over oorlog: dat het draait om goederiken en slechteriken. Terwijl het meestal gaat over mensen met dromen, die leven in systemen waar ze nooit zelf voor kozen. En over mensen zoals ik, die dachten dat ze veilig genoeg waren om een kant te kiezen.
En daarom denk ik altijd: wie the fuck ben ik om te schrijven of praten over al die conflicten? Waarom zou ik een oordeel vellen over een conflict waar ik geen onderdeel van ben? Ja, Netanyahu gun ik met liefde dat hij op een blokje lego stapt. Maar heeft die jongen bij de oude haven de kans gekregen om tekenaar te worden?
Thema's:
Meld je snel en gratis aan voor de BNNVARA nieuwsbrief!