Wij zijn voor een open, rechtvaardig en gelijkwaardig Nederland.

Abu Hamdan was kindsoldaat in Soedan: 'Ik werd gedwongen dingen te doen die ik niet wilde'

theme-icon
Mentaal
Vandaag
leestijd 5 minuten
78 keer bekeken
Oorlog is Erfelijk - Abu Hamdan

Oorlog is Erfelijk - Abu Hamdan

© Berry van Galen

Oorlog werkt generatieslang door. Zo ook in het leven van Abu Hamdan, die op zijn vijftiende werd ontvoerd en gedwongen kindsoldaat werd in Soedan.

Abu Hamdan groeide op als een jongen met grote dromen, hij wilde regisseur worden. Maar op zijn vijftiende werd hij op weg naar school ontvoerd door het leger van de Soedanese leider Omar al-Bashir en tot kindsoldaat gemaakt. Die ervaring heeft hem zijn hele leven getekend. Abu: 'Van iemand die echt optimistisch was, naar iemand die echt dacht van: ja, liever dood.'

Wat denk je als je Omar al-Bashir nu weer ziet?

'Dan denk ik aan de allerergste tijd die ik meegemaakt heb. Dat ik dacht van: ik ben echt een jongen die graag een artiest wil worden. Die een toekomst wil bouwen. Maar als ik hem zie, dan denk ik alleen maar aan oorlog. En ook aan het land dat echt helemaal verwoest is door hem. Hij heeft mijn leven echt drastisch veranderd – van iemand die echt optimistisch was, naar iemand die liever dood wilde zijn.'

Je zat op de toneelschool, je wilde een bekende regisseur worden, misschien zelfs in Hollywood...

'Mijn broer was een acteur. Hij heeft mij geïnspireerd om de toneelschool te gaan doen. Maar toen ik onderweg was naar school, werd ik ontvoerd door het leger. Ik was samen met vrienden en in één keer stopte er een legertruck. Ze zeiden: "Jullie gaan mee."

We zaten in een propvolle truck. We kwamen bij het trainingskamp. Ik wilde mijn pasje laten zien met mijn leeftijd, om te laten zien hoe jong we waren. Maar ze keken er niet naar, we moesten het trainingskamp in. We moesten drie maanden trainen. En na die drie maanden zouden we terug naar onze familie mogen.

Ik heb mijn best gedaan dat het zo snel mogelijk zou gaan. Wel heb ik geëist dat mijn ouders iets moesten weten. Ze zeiden dat mijn ouders het wisten, maar daar was helemaal niks van waar. Mijn ouders wisten het niet. Want mijn ouders hebben mij daarna als vermist opgegeven.'

Over het programma 'Oorlog is erfelijk'

In het vierluik Oorlog is Erfelijk van BNNVARA en War Child spreekt journalist Natascha van Weezel met verschillende generaties over hoe oorlog, ook lang nadat het geweld is gestopt, doorwerkt in levens en families. Onder anderen Jeugdjournaal-icoon Marga van Praag, oud-politicus Gerrit Jan Wolffensperger en acteur Beau Schneider delen hun persoonlijke verhaal. Met hun verhalen vragen zij aandacht voor kinderen die nú opgroeien in oorlogssituaties.

Wat deden jullie in dat trainingskamp?

'Wij moesten gehoorzamen wat de commandanten zeiden. Als je niet gehoorzaamt, dan heb je een probleem. We moesten elkaar kaalscheren, daarna moesten we in rijtjes gaan staan en kennismaken met je commandant.

We leerden verschillende vormen van marcheren, en vechten. Je moet iemand op de grond werken, op een manier dat je jezelf verdedigt. De mensen om mij heen lachten mij uit omdat ik dat niet kon. Ik was heel erg klein, die anderen waren allemaal groot en stevig. We waren gewoon kinderen. We moesten ook leren schieten. Ik voelde mij schuldig als ik mee moest vechten.'

Je bent gaan vechten?

'Ja, toen moest ik wel. En ik heb wel geschoten. Maar je weet niet of je mensen hebt gedood. Dat is het ergste. Je wordt gedwongen om dingen te doen die je zelf niet wilt.

Zoals een konijn uit elkaar halen en rauw eten. Dat was eigenlijk om ons te verharden, maar ook om te leren om te overleven aan het front. Dat is een van de ergste dingen die gebeurd was tijdens het trainingskamp. Want ik verplaatste mijzelf in dat konijn. Machteloos – en ik ook. Hij wilde dat niet, ik wilde dat ook niet. En ik dacht: misschien wordt mijn leven net als dat konijn. Ik weet niet of ik, als ik naar het front moet, of ik dat ga overleven.

Voor mij was het echt een hel. Ik was altijd gestrest. Ik miste mijn familie. Verdriet, angst. Ik heb soms ook gedacht aan zelfmoord – zo erg was het.

Op een gegeven moment vertelden ze: "Jullie gaan naar het front." Toen werd ik helemaal gek. Ik begon ook te huilen. Ze hadden ons verteld dat we terug zouden gaan naar onze ouders. Maar we moesten naar het front, voor zes maanden. En het liefst wou ik gewoon springen uit het vliegtuig.'

Wat zag je toen jullie aankwamen?

'Toen wij daar aankwamen was er net ook een gevecht geweest. Dus er waren ook mensen dood. Lijken, heel veel lijken. En wij moesten de weg daar opruimen. Er lagen heel veel lijken; mensen echt zonder hoofd, de helft van die mensen is weg, geen gezicht, of een half gezicht.

Mijn beste vriend, Ayman, dacht: ik ga liever dood dan andere mensen doodmaken. Hij wilde graag een studie volgen en een mooie toekomst opbouwen. Maar hij werd depressief en ziek. Hij werd steeds magerder. Toen ik een keer binnenkwam, zag ik iemand liggen met een laken erover. Ik zag dat het Ayman was. Hij heeft zichzelf opgehangen. Ik schreeuwde tegen hem: "Waarom heb je mij niet meegenomen?" Ik wilde ook niet leven, omdat het zo erg was.'

Hoe is Abu uit het kamp gekomen?

'Uiteindelijk was er een commandant, Abdullah, die besefte: ik ga de jongens hier helpen om te ontsnappen. Ik ben hem nog steeds dankbaar. Ik weet niet of hij nog leeft of dood is. We kwamen toen in het kamp van de Verenigde Naties. Ik was opgelucht. Na bijna zes maanden werd verteld dat ik niet terug ga naar Soedan, maar naar Nederland.

Ik wilde naar mijn ouders. Maar ze zeiden: "Het is niet veilig, want Omar al-Bashir is nog steeds aan de macht. Je gaat naar Nederland totdat het veilig is, en dan ga je terug naar je ouders."

Het enige dat ik wist van Nederland was voetbal: Kluivert, Van Basten. Ik was echt heel erg zenuwachtig. Ik kwam hier in Nederland in een andere omgeving terecht, met ander weer; het was koud. Dat was voor mij echt een cultuurshock.

We gingen naar Leiden. Daar was een opvangcentrum. Daar kreeg ik ook traumabehandeling, want ik was echt zwaar getraumatiseerd. Ik leerde daar hoe ik voor mezelf moet opkomen. Ik keek altijd naar de grond. En beetje bij beetje leerde ik ook mezelf kennen.'

Ben je bang dat je je trauma aan je dochter hebt doorgegeven?

'Dat hoop ik niet. Maar ik heb haar nooit het gevoel gegeven wat ik als kindsoldaat heb gehad. Ik heb haar het boek overhandigd bij mijn boekpresentatie, maar zij wilde het nooit lezen. Want zij is bang dat ze mij dan anders zal zien. En dat wil ze niet.'

Wanneer zag je je familie weer?

'Dat was bijna acht jaar nadat ik hier in Nederland kwam. Ze hadden geen hoop meer, ze dachten dat ik dood was. In de tijd van Omar al-Bashir waren er geen telefoons. Alleen vaste telefoons bij de overheid. Ik heb wel vaak brieven geschreven, maar die brieven kwamen nooit aan.

Toen ben ik naar Soedan gegaan met een begeleider van het Rode Kruis. Ik knielde bij mijn moeder, ik kuste haar hoofd. Mijn vader was blij, iedereen was blij. Zelfs de buren zijn gekomen. Ik heb een maand lang genoten. Daarna moest ik weer terug naar Nederland, want het was ook niet veilig voor mij om daar te blijven.'

Tegenwoordig werk je zelf in een opvangcentrum...

'Ja. Ik zag een reclame van War Child: je kan een kind uit de oorlog halen, maar wie kan een oorlog uit een kind halen? Dat sprak mij erg aan. Ik wil iets terugdoen voor alle kinderen die het echt moeilijk hebben. Want ik kan die mensen goed begrijpen. Ik hoop dat alle oorlogen stoppen en dat kinderen normaal kunnen opgroeien en een normaal leven kunnen leiden. Dat hoop ik voor alle kinderen.'

Meer over dit onderwerp?

Delen:

Reacties (0)

BNNVARA nieuwsbrief

Meld je snel en gratis aan voor de BNNVARA Nieuwsbrief!

Meer over dit onderwerp

BNNVARA wij zijn voor