
Jan van Poppel: 'De hommel is geen bijzaak'
© Wijnanda Duits/BNNVARA
Terwijl Den Haag zich opwindt over asiel en Brussel pesticidenregels stilletjes versoepelt, daalt het aantal hommels in Nederland met veertig procent. Columnist Jan van Poppel stelt de vraag die politici liever vermijden: wie beschermt eigenlijk de hommel?
Terwijl Den Haag zich weer eens vergaloppeerde aan verhitte asieldebatten, stonden elders in het land zo’n 2200 mensen in hun achtertuin naar bijen te turen. Geen spoedoverleg, geen politieke spierballentaal – gewoon tellen wat er nog zoemt. En misschien hadden ze wel een beter gevoel voor urgentie dan menig politicus. Want in het bescheiden NOS-bericht over die Nationale Bijentelling zat een ongemakkelijkere waarheid dan in menig Kamerdebat: sinds 2018 is het aantal hommels met veertig procent gekelderd. Veertig procent. Dat is geen feitje voor de liefhebber, dat is een stille crisis.
(Oh, en dan hebben we dat misverstand meteen uit de wereld: hommels zijn bijen.)
De hommel heeft het dus zwaar, en dat is geen toevallig natuurdrama, maar een optelsom van heel menselijke keuzes. Bloemrijke weiden en bermen verdwijnen onder druk van landbouw en wegen, waardoor nectar en stuifmeel schaars worden. Daarbovenop komt het gebruik van pesticiden, waardoor hommels de weg kwijtraken of sterven. Daarnaast gooit klimaatverandering hun timing in de war: bloemen bloeien wanneer zij er nog niet zijn.
Het gevolg: een dier dat cruciaal is voor de bestuiving van planten en gewassen, en dus voor wat er op ons bord ligt, staat onder druk. Minder hommels betekent uiteindelijk ook minder bloemen, fruit en groenten – en dat maakt hun probleem ineens ook het onze.
Maar goed, daar ging het in Den Haag dus niet over.
In Brussel wel. In 2023 verscheen de herziene versie van het Europese Bestuiversinitiatief. Europa trok hiermee een harde lijn: de achteruitgang van het aantal hommels en andere bestuivers moet vóór 2030 zijn gestopt én omgekeerd.
Dat klinkt goed, maar de plannen zijn weinig concreet. Het enige percentage dat terug te lezen is: 50% minder pesticiden in 2030, wat verwijst naar de farm-to-fork-strategie uit de Europese Green Deal. Als dat niet gebeurt, is het redden van bestuivers een onbegonnen zaak.
Prima afspraak, maar dan moet je wel durven kijken naar wát we ondertussen nog allemaal mogen blijven rondspuiten. En precies daar wordt Europa creatief. As we speak wordt er namelijk gesproken over Europese plannen om het pesticidenbeleid ‘efficiënter’ te maken.
Als het aan de Europese Commissie ligt, hoeven middelen straks niet meer elke tien tot vijftien jaar opnieuw te worden beoordeeld, ook niet als de wetenschap inmiddels nieuwe (gevaarlijke) inzichten heeft verkregen. En als iets al is afgekeurd, geen haast: dan mag het niet nog achttien maanden verkocht worden, maar gewoon nog drie jaar. Alsof de gifvoorraad ook recht heeft op een rustige afbouwregeling. En de nieuwste wetenschap? Die is niet leidend. Bestaande, ouderwetse onderzoeken zijn voldoende om de risico’s van nieuwe pesticiden te toetsen. Kortom: minder heroverwegen, langer gebruiken, en hopen dat de realiteit zich een beetje gedraagt naar een verouderd spreadsheet.
Milieuorganisaties en wetenschappers kijken er niet bepaald gerust op toe. Zij waarschuwen dat deze ‘vereenvoudiging’ vooral neerkomt op een lagere lat voor bescherming van mens en natuur.
Dat is de ongemakkelijke conclusie: terwijl Den Haag koetjes en kalfjes bespreekt in plaats van bloemetjes en bijtjes, en Brussel vereenvoudigt, verdwijnt de hommel uit ons landschap. Een wereld zonder dit belangrijke insect is een arme wereld: minder bloemen, minder fruit, minder voedsel. Misschien hadden die 2200 mensen in hun achtertuin dat al door; dat urgentie soms niet in de plenaire zaal zit, maar gewoon in wat er nog zoemt als we stilvallen.
Thema's:
Meld je snel en gratis aan voor de BNNVARA Nieuwsbrief!