
Een medewerker van het Centraal Dierenlaboratorium van het Radboudumc verzorgt muizen voor onderzoek naar schisis
© ANP
Er zijn alternatieven beschikbaar en toch wordt er nog altijd wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd op dieren. Hoe kan dat?
Het gebruik van proefdieren ligt al jaren onder vuur. Toch worden er nog altijd honderdduizenden dieren ingezet voor wetenschappelijk onderzoek, terwijl technologie zich razendsnel ontwikkelt en proefdiervrije alternatieven steeds beter werken. Waarom blijven dierproeven dan toch bestaan?
Alleen al in Nederland worden jaarlijks zo’n 450.000 dierproeven uitgevoerd, vertelt directeur van de stichting Proefdiervrij Debby Weijers bij Vroege Vogels. Het gaat onder meer om muizen, zebravissen en apen. Opvallend: dat aantal neemt al jaren nauwelijks af. 'De afgelopen tien tot vijftien jaar blijft het aantal dierproeven min of meer gelijk', zegt ze. 'En dat terwijl proefdiervrije methodes enorme stappen hebben gezet.'
Die alternatieven worden steeds geavanceerder. Wetenschappers kunnen tegenwoordig menselijke cellen kweken en zelfs mini-orgaantjes – zogeheten organoïden – maken. Daarmee kunnen ze ziektes onderzoeken en medicijnen testen, zonder dieren te gebruiken. Onlangs werd er bijvoorbeeld een studie naar hepatitis E uitgevoerd op een gekweekte menselijke lever.
Naast dat het dierenleed voorkomt, heeft het ook andere voordelen, volgens Jeffrey Bajramovic, hoofd van het 3Rs-Centre in Utrecht: 'Als je met menselijke cellen werkt, hoef je geen vertaalslag meer te maken van dier naar mens. Medicijnen of ziektes kunnen bij dieren heel anders werken dan bij mensen. Bovendien gaat onderzoek met cellen vaak sneller.'
Dat heeft, volgens de experts, alles te maken met gewoonte. Binnen de wetenschap bestaat een sterke voorkeur voor methodes die onderzoekers al kennen en vertrouwen. Dat wordt ook wel animal methods bias genoemd. Onderzoeken met dierproeven worden vaker gepubliceerd, waardoor onderzoekers makkelijker financiering krijgen voor nieuw dieronderzoek. Zo ontstaat een vicieuze cirkel waarin dieren blijven worden gebruikt voor onderzoek.
Dat betekent overigens niet dat er helemaal niets verandert. Er verschijnen steeds vaker proefdiervrije studies in grote wetenschappelijke tijdschriften. Maar voor echte verandering is meer nodig: 'Voor een duidelijke afname van dierproeven is een fundamentele omslag nodig in hoe wetenschap wordt beoordeeld en gefinancierd', aldus Weijers. Pas als proefdiervrije methodes de norm worden – en niet langer de uitzondering – kan het aantal proefdieren echt omlaag.
Thema's:
Meld je snel en gratis aan voor de BNNVARA nieuwsbrief!