Vissen in de knel
• 25-07-2008
• leestijd 1 minuten
Veel vissoorten moeten grote afstanden zwemmen om te kunnen overleven. Denk bijvoorbeeld aan zalm, zeeforel en aal/paling die migreren tussen het zoete- en zoute water. Ook vissoorten zoals barbeel, winde en kopvoorn moeten zich vrij kunnen bewegen door de Nederlandse riveren, beken, meren en kanalen. Helaas voor hen zijn er duizenden stuwen, gemalen, sluizen en waterkrachtcentrales. Die locaties belemmeren de vissen sterk in hun natuurlijke gedrag om zich te verplaatsen van paai-en opgroeigebied naar voedselgronden. Dat kan sterk ten koste gaan van een natuurlijke visstand.
Gelukkig blijft die problematiek niet onopgemerkt. Er is Europees beleid die herstel van het water hoog in het vaandel draagt zoals de Europese Kader Richtlijn Water. Beleid dat ons verplicht om te werken aan het verbeteren van waterkwaliteit, leefgebied én optrekbaarheid. Bovendien zijn we met de tegenwoordige stand der techniek heel goed in staat om visvriendelijke gemalen te maken. "Aangepast sluisbeheer" (het regelmatig schutten gedurende het migratieseizoen) draagt zorg voor de passeerbaarheid van de sluizen. Zogenaamde bypasses en nevengeulen maken de grote stuwen en waterkrachtcentrales op onze grote rivieren passeerbaar. Zo zorgen beleid en de uitvoering van diverse maatregelen samen voor leefbaar water.