
Pollen van een berkenboom
© pixabay
Wie hooikoorts heeft, kan in de ene straat aan veel meer allergeen pollen worden blootgesteld dan een paar straten verderop. Leids onderzoek zien dat de hoeveelheid pollen in stedelijke lucht sterk lokaal varieert. Planten in openbare ruimten zijn de voornaamste bron van allergeen pollen. Gemeenten kunnen de blootstelling aan allergeen pollen beperken met een slimme inrichting van openbaar groen.
Door klimaatverandering stijgen de temperaturen, waarbij steden extra opwarmen doordat beton en asfalt warmte vasthouden. Meer groen kan helpen om steden te verkoelen door middel van schaduw en verdamping. Sommige plantensoorten produceren echter allergeen pollen dat zich via de lucht verspreidt en hooikoortsklachten kan veroorzaken. Binnen het BENIGN-project werd onderzocht hoe steden kunnen worden vergroend en verkoeld, zonder tegelijkertijd de blootstelling aan allergeen pollen te vergroten.
De hoeveelheid pollen in de lucht bleek sterk te verschillen tussen delen van de stad. Langs de groene Jan van Houtkade werd gemiddeld 56 procent meer pollen gemeten dan in het warmere en meer versteende Noorderkwartier, waar minder bomen en ander groen aanwezig waren. Meer pollen betekent echter niet automatisch een groter aandeel allergeen pollen. Hoewel de totale hoeveelheid pollen langs de Jan van Houtkade hoger was, bestond in het Noorderkwartier een groter deel van het pollen uit allergene soorten: 41,4 tegenover 32,7 procent.
DNA-analyse liet bovendien zien dat het allergene pollen in de onderzochte locaties vooral afkomstig was van planten uit de openbare ruimte, waaronder laanbomen en grassen. Van de 322 geïdentificeerde plantensoorten waren er 104 allergeen. Slechts 6 daarvan waren tuinplanten, waaronder olijf en siergrassen. De inrichting van openbaar groen heeft daarmee invloed op de lokale blootstelling aan allergeen pollen. Opvallend was daarnaast dat allergeen boompollen ook buiten de gebruikelijke bloeiperiode werd aangetroffen, waaronder berkenpollen tot in december. Dit laat zien dat blootstelling aan allergeen boompollen ook buiten de gebruikelijke bloeiperiode kan voorkomen.
Dat pollen sterk lokaal varieert, betekent dat keuzes op straat- en wijkniveau ertoe doen. Gemeenten hoeven daarom niet minder groen aan te planten of bestaande bomen te kappen, maar kunnen bij nieuwe aanplant bewuster kiezen welke soorten ze waar planten. Sterk allergene bomen kunnen beter worden vermeden op drukke plekken, zoals pleinen, schoolpleinen en veelgebruikte wandel- en fietsroutes. Regionale richtlijnen, zoals het Bomenkompas voor allergeniciteit, kunnen gemeenten helpen om bij de soortkeuze rekening te houden met de allergeniciteit van bomen. Ook kunnen niet-allergene kruiden op geschikte plekken een alternatief vormen voor gazons en zo de blootstelling aan graspollen verminderen.
Bron: Nature Today
Thema's: