
We reserveren medeplichtigheid liever voor individuele vrouwen dan voor onze gedeelde jongensdroom.
Tompoucen, vlaggen en onschuldige trots: de kinderlijke voetbalvreugde stroomde de afgelopen weken door onze haarvaten. Voor het WK reisden onze oranje helden af naar Amerika, waar ICE mensen van hun werk plukt. We voetbalden met bloedende neuzen in een land waar abortus in grote delen van het land verboden is. We spekten een regering die ‘radicaal pro-transgender’ activisme tot doelwit voor ‘neutralisatie’ verklaart. Nederland juichte in volle glorie in een land waar mensen de straat niet meer op durven. Toch leken weinig supporters last te hebben van een ethisch dilemma.
Vergelijk de WK-vreugde met de ophef rond Jutta Leerdam ten tijde van de Olympische Spelen: ze schaatste de race van haar leven en een deel van Nederland kaartte scherp aan dat juichen voor Jutta niet meer kon. Jutta is namelijk verloofd met Jake Paul en deelt haar bereik met een man die een racistisch, transfoob en seksistisch wereldbeeld verkoopt. Wie haar een rolmodel noemt, kijkt volgens critici weg van het feit dat ze denkbeelden van een Trump-donateur en openlijk verdediger van ICE normaliseert. Sport is politiek en dus kun je niet voor Jutta juichen, luidde de conclusie eerder dit jaar. Ik begrijp dat argument, alhoewel ik het hypocriet vind.
Achter de verwijten naar Jutta zit één aanname: meedoen en meeheulen is medeplichtig zijn. Maar als dat de maatstaf is, klopt er iets niet aan onze selectieve moraal. Voor haar geldt dat associatie instemming is, maar voor Oranje geldt: het is maar voetbal.
Wat doet het Nederlands Elftal anders dan Jutta? Kan ik concluderen dat we onze morele scherpte alleen op de individuele vrouw richten en dat moraliteit niet telt als het gaat om onze collectieve jongensdroom? Oranje doet mee aan een toernooi van een organisatie die miljarden verdient aan het imago van een land dat op migranten jaagt, en zweeg over de politiek eromheen. De schaal, het bereik en de medeplichtigheid zijn enorm. Waar is de maat waarmee we Jutta meten?
Het boek High Conflict van Amanda Ripley beschrijft waarom we met twee maten meten: als we ons bedreigd voelen in ons zijn, stoppen we met luisteren. Wanneer we ons onveilig voelen, bouwen we een frame waarin wij de goeden zijn. We gebruiken moraliteit als een wapen dat we richten op wie binnen handbereik staat: op de vrouw met de medaille en op elkaar. Maar moraliteit lijken we erg ingewikkeld te vinden als het om onze systemen gaat. We richten ons morele vizier niet snel op de bond die ons plezier brengt, en al helemaal niet op onszelf op de bank.
Geen mens komt door de zuiverheidstest, want morele perfectie bestaat niet. Individuen kunnen wankelen, struikelen en brokken maken. Maar wie macht heeft heeft een plicht, en die kunnen we niet alleen Jutta aanrekenen. Laten we onze scherpte vooral naar boven richten: naar een machtig instituut zoals de FIFA, ook als er daardoor wat oranje tompoucen door de lucht vliegen. Wij reizen naar een fascistisch land om te voetballen, terwijl mensen daar van de straat worden geplukt en niet naar buiten durven. Dan kan Trouw wel schrijven dat het WK te mooi is om door Trump te laten verzieken, maar in een fascistische wereld is voetballen echt geen zak meer aan. Voetbal laten verzieken is volgens mij toch echt wat anders dan doen alsof onze neus bloedt.
Dus terwijl ik vandaag mijn laatste oortje versnoep, stel ik mezelf één vraag: durf ik de maat ook te nemen van wat mijn eigen oranje hart liefheeft?