
Dit is een eactie op het opiniestuk van Roel Berghuis, "Dient Tata India nog wel de belangen van de staalfabriek in IJmuiden?" (Joop, 22 augustus 2026)
Roel Berghuis stelt de juiste diagnose, maar schrijft het verkeerde medicijn voor. Ja, Tata India laat IJmuiden bungelen. Ja, de topmannen in Mumbai zijn drukker met hun onderlinge machtsstrijd en de schuldenlast van de holding dan met de toekomst van de Nederlandse staalfabriek. En ja, het schuiven van de schuld naar de Omgevingsdienst en "te strenge" Nederlandse milieueisen is stuitend. Maar de conclusie dat de Nederlandse staat daarom zeggenschap moet "veroveren" in de fabriek, is precies de verkeerde les uit deze geschiedenis.
Nationalisatie is geld storten in een bodemloze put
De hoogleraren economie Roel Beetsma en Sweder van Wijnbergen waarschuwden er al voor toen de miljardensteun voor het Heracless-plan op tafel lag: de businesscase voor een overheidsinjectie in Tata is uitermate zwak. De bodem blijft even vervuild, de saneringskosten worden alleen maar vooruitgeschoven, en garanties van Tata zijn niets waard. Bij behoud van werkgelegenheid niet, en bij bodemsanering al helemaal niet, omdat Tata India zich daar via een faillissement van de Nederlandse dochter eenvoudig aan kan onttrekken.
Hun verwijzing naar Fokker en de RSV-scheepswerf is geen retorische versiering, maar een patroon: staatssteun aan een structureel verlieslatend bedrijf leidt tot een stroom vervolgverzoeken, waarna de economische realiteit alsnog wint en de belastingbetaler met de rekening zit. Met een staatsbelang wordt dat patroon niet doorbroken, het wordt geïnstitutionaliseerd. Dan is de overheid niet langer de partij die eisen stelt, maar mede-eigenaar van elke overtreding, elk verlies en elke saneringsclaim van staalslakken.
Het fundamentele probleem verdwijnt niet met een andere eigenaar
Berghuis behandelt het eigenaarschap als hét probleem. Maar wie er ook aan de knoppen zit, of dat nu Tata India, de Nederlandse staat of een derde partij is, de fysica en economie van groen staal veranderen niet. Onderzoekers Boris Schellekens en Rodrigo Fernandez rekenden in ESB voor dat groen staal produceren in Nederland jaarlijks bijna 800 miljoen euro meer aan elektriciteit kost dan in Spanje. Nederland heeft geen ruimte voor een energie-eiland naast de fabriek, kampt met hoge netwerkkosten en moet leunen op relatief dure wind op zee. Dat kostennadeel is structureel en groter dan de gemiddelde nettowinst die Tata in de afgelopen twaalf jaar boekte.
Ook CE Delft en anderen wijzen erop dat Nederland op termijn simpelweg niet de ideale plek is voor laagwaardige, energieverslindende industrie. Wie dat gat wil dichten, moet tot in lengte van jaren honderden miljoenen per jaar bijpassen. Geld dat niet naar zorg, woningbouw of de verduurzaming van kansrijke sectoren gaat.
Daar komt bij dat dit bedrijf het vertrouwen dat bij zeggenschap hoort allang heeft verspeeld. De kooksgasfabrieken staan onder verscherpt toezicht en riskeren intrekking van hun vergunning, bij de Oxystaalfabriek stapelen de dwangsommen zich op, het OM gaat over tot strafrechtelijke vervolging en de staalslak, inmiddels als gevaarlijk materiaal geclassificeerd, hoopt zich op het terrein op. Een bedrijf dat de gezondheid van omwonenden en eigen werknemers zo behandelt, verdient geen reddingsboei van de staat, maar handhaving.
Er ligt allang een plan B, meerdere zelfs
Het echte verwijt aan Den Haag is niet dat het te weinig zeggenschap heeft veroverd, maar dat het jarenlang heeft gedaan alsof er maar één toekomst bestaat: miljardensubsidie voor het Heracless-plan. Schellekens en Fernandez wijzen op het alternatief van een Europese tender: verzeker je via de interne markt van groen staal daar waar duurzame energie het goedkoopst is, zoals in Spanje of Scandinavië, in plaats van tegen elke prijs vast te houden aan een locatie die is gekozen op basis van de fossiele condities van de jaren vijftig.
En voor het terrein zelf ligt er sinds vorig jaar het Wijmond-rapport van Urgenda en Gezondheid op 1, dat drie serieuze scenario's uitwerkt. Het eerste scenario: sluit de vieze voorkant van de fabriek, de kooksgasfabrieken, sinter- en pelletfabriek en hoogovens, en ga door met de hoogwaardige onderdelen zoals de walserijen, coating en verpakkingsstaal, op basis van geïmporteerde groene ijzerbriketten (HBI) uit landen die wel overvloedige groene energie hebben. De grootste bron van gezondheidsschade verdwijnt dan uit de IJmond, terwijl duizenden banen en de strategische verwerkingscapaciteit behouden blijven.
Het tweede scenario is een stad in de duinen met 40.000 woningen, die de saneringskosten grotendeels zelf terugverdient. Het derde combineert natuur en bedrijvigheid: honderden hectaren duin en bos naast een energiehub en innovatiecampus, met de grootste jaarlijkse maatschappelijke baten van alle opties. Geen van deze scenario's is pijnloos, maar ze verdienen alle drie een serieuze kans. Zeker nu de kans groeit dat Tata het niet redt door intern gekibbel in Mumbai, besluiteloosheid in Den Haag, een grote schadeclaim of een strafrechtelijke veroordeling.
Bescherm mensen, niet een bedrijfsstructuur
Berghuis heeft gelijk dat de staalarbeiders een mokerslag te verwerken krijgen. Maar juist daarom moet de overheid haar schaarse miljarden inzetten waar ze werken: een royaal sociaal plan en omscholing (in een arbeidsmarkt met honderdduizenden vacatures vonden de meeste VDL Nedcar-werknemers binnen een jaar nieuw werk), versnelde sanering van het terrein, en investeren in bedrijvigheid met een zelfstandig toekomstperspectief.
Zeggenschap veroveren in een fabriek zonder houdbaar verdienmodel is geen daad van kracht, maar van sentiment. De vraag is niet hoe we Tata Steel IJmuiden redden. De vraag is hoe we de mensen, de regio en de leefomgeving redden. Desnoods zonder Tata.