
© Fotograaf: ajoosse
De werkzaamheden om de vaargeul van de Westerschelde te verdiepen, hebben schadelijke gevolgen voor de natuur. Dat constateren onderzoekers van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) en de universiteiten van Utrecht en Antwerpen na analyse van bijna zeventig jaar aan data van Rijkswaterstaat. Het afwisselende landschap van slikken, platen en geulen verandert langzaam in een eentoniger gebied.
"Door het enorm gestegen jaarlijkse volume aan baggerslib uit de vaargeul neemt het voedselgebied voor vogels af en wordt het systeem kwetsbaarder voor zeespiegelstijging", aldus de onderzoekers. Ze vragen bestuurders zo snel mogelijk duidelijke beleidskeuzes te maken om de natuurlijke ontwikkeling van de Westerschelde niet verder onder druk te zetten. "Stoppen met baggeren is geen optie, vaargeulonderhoud blijft noodzakelijk", benadrukt Tim Grandjean van het NIOZ. "Maar de manier waarop we omgaan met het gebaggerde sediment bepaalt hoe de Westerschelde zich verder ontwikkelt."
Om de haven van Antwerpen bereikbaar te houden, is de hoofdvaargeul van de Westerschelde sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw drie keer verdiept en verbreed. Daardoor nam het jaarlijkse onderhoudsbaggerwerk sterk toe. Voor 1950 werd minder dan 0,5 miljoen kubieke meter per jaar gebaggerd. Inmiddels is dat 7 tot 10 miljoen kubieke meter per jaar. Dat materiaal wordt uit de vaargeul gehaald en elders in de Westerschelde gestort.
De provincie Zeeland werkt op verzoek van het Rijk met het Natuurpakket Westerschelde aan het uitbreiden van de slikken en schorren, buitendijkse gebieden die regelmatig onder water lopen. Dat gebeurt onder meer in de ontpolderde Hedwigepolder en natuurgebied Het Zwin op de grens van Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen.
Bronnen: NIOZ en ANP
Thema's:
Maandag, woensdag en vrijdag versturen wij je alle informatie uit de radio en tv-uitzending en het laatste internetnieuws.