
Eidelweiss groeit in gebergte
© Pixabay
Door klimaatverandering nam de plantenbiodiversiteit op Europese bergtoppen de laatste decennia toe. Dat lijkt goed nieuws, maar uit een nieuwe studie in Science blijkt dat lokale plantensoorten, die specifiek zijn aangepast aan het leven op grote hoogte, er tegelijkertijd steeds sneller uitsterven. “We laten hier voor het eerst het daadwerkelijke, versnellende uitsterven van hooggebergtesoorten door klimaatverandering zien, in plaats van enkel de verschuivingen die er meestal aan voorafgaan,” vertelt medeauteur en Utrechtse biodiversiteitsonderzoeker Jonas Lembrechts.
Het is de afgelopen decennia warmer geworden op bergtoppen. Plantensoorten die specifiek zijn aangepast aan het koude bergklimaat kregen daardoor steeds meer gezelschap van planten die eerder alleen lager op de berg voorkwamen. Daardoor nam de totale plantenbiodiversiteit op bergtoppen toe.
Maar uit nieuw onderzoek, uitgevoerd op 62 Europese bergtoppen die tussen 2001 en 2022 vier keer werden gemonitord, blijkt nu voor het eerst dat juist de specialistische hooggebergtesoorten van de bergtoppen verdwenen, en dat dat de laatste 20 jaar steeds sneller gebeurde.
“We zagen al langer verschuivingen in verspreiding en toenames op bergtoppen, maar het uitsterven zelf bleef moeilijk aan te tonen, want veel soorten reageren met flinke vertraging op klimaatverandering,” vertelt Lembrechts. “Nu is er eindelijk genoeg data over voldoende jaren om ook dat lokale uitsterven zichtbaar te maken: als soorten de berg op schuiven, worden de soorten die al bovenaan zaten er vanaf gedrukt.”
Op andere locaties spelen vaak ook andere factoren mee bij het verlies van soorten, zoals stikstofneerslag en andere vormen van menselijke verstoring, soms met een groter effect dan klimaatverandering zelf. Daardoor is het lastig om daar het aandeel van klimaatverandering in het soortverlies te isoleren. Op bergtoppen speelt die verstoring nauwelijks een rol, waardoor lokale uitstervingen daar juist wel goed direct aan klimaatverandering zijn toe te schrijven.
“Uit de gegevens blijkt duidelijk dat soorten vaker verdwenen van bergtoppen waar de opwarming sterker was,” aldus eerste auteur Johannes Wessely van de Universiteit van Wenen.
Volgens Lembrechts past deze studie in een groeiend rijtje onderzoek dat laat zien hoe groot de impact van klimaatverandering op de natuur inmiddels is. “Landgebruiksverandering en stikstofdepositie blijven voorlopig de grootste boosdoeners van lokaal biodiversiteitsverlies, dat verandert deze studie niet,” geeft Lembrechts aan. “Maar het wordt steeds duidelijker dat klimaatverandering, bovenop die bestaande druk, in hoog tempo aan belang wint. In de oceanen zien we dat al veel langer: verspreidingsgebieden van soorten schuiven daar al decennia op, en het verbleken van koraalriffen is een bekend en onmiskenbaar signaal van diezelfde problematiek.”
Typische hooggebergteplanten zijn vaak taai en leven lang. Daarom was het niet meteen zichtbaar dat veranderingen in het klimaat effect hadden op deze soorten. De huidige hogere snelheid van uitsterven zou dus een reactie kunnen zijn op veranderingen die zich al decennia geleden hebben voorgedaan of in ieder geval toen al zijn ingezet.
Volgens de onderzoekers is het niet ondenkbaar dat er nog meer lokaal aangepast plantensoorten van de bergtoppen gaan verdwijnen. “De resultaten zouden erop kunnen wijzen dat dit het begin is van het aflossen van een “uitstervingsschuld”. Maar of dit echt zo is, moet nog verder worden onderzocht”, vertelt Stefan Dullinger van de Universiteit van Wenen, die het onderzoeksproject coördineerde.
Volgens Lembrechts is het goed denkbaar dat we de komende jaren vaker rapporten gaan zien waarin ook Nederlands soortverlies aan klimaatverandering wordt toegeschreven.
“In tegenstelling tot bergtoppen, is het verlies van soorten hier moeilijk direct aan klimaatverandering toe te schrijven door de grote rol van stikstof en andere menselijke verstoring,” vertelt hij “Maar er zijn wel eerste aanwijzingen: zo zien we bijvoorbeeld bij libellen een teruggang van koudeminnende soorten ten opzichte van warmteminnende soorten, al spelen ook daar meerdere stressoren tegelijk een rol.”
Bron: Universiteit Utrecht