
Mannelijk vliegend hert
© Vroege Vogels
Een spectaculaire soort van Springendal en ook echt een soort van een stuwwal zoals hier is het vliegend hert. Deze grootste kever van Nederland zit maar op vier plekken in ons land en dat zijn allemaal stuwwalcomplexen. Het vliegend hert heeft zich afgelopen jaren uitgebreid naar het Springendal vanuit omliggende gebieden. Ecoloog Mark Zekhuis monitort de soort en neemt ons mee naar bloedende eiken om ze te zien.
Het vliegend hert heeft drie dingen nodig: warmte, oude kwijnende eiken en witrotschimmels. De hellingen van de stuwwal zijn al lekker warm. Daarnaast is Springendal altijd kleinschalig gebruikt voor hakhout, waardoor er ook eikenstobben zitten. De larven leven van vochtig hout dat aangetast is door witrotschimmels. Het hout mag niet droog zijn, dan sterven de larven. Het vochtige milieu van Springendal is dus perfect.
De volwassen kevers voeden zich uitsluitend met zoet plantensap van eiken, en af en toe beuken, hoewel dat voor de mannetjes moeilijk is door hun enorme kaken. Vaak zie je dus ook vliegende herten verzamelen rond boomwonden. Maar niet alleen het vliegend hert wordt aangetrokken door het suikerrijk goedje, er komen ook allerlei andere dieren op af. De grote bonte specht lust ook wel van het plantensap, net als allerlei vlinders en hoornaars. ’s Nachts is het ook een favoriet plekje van nachtvlinders en de daarop jagende vleermuizen.

De enorme kaken van de mannetjes zien er gevaarlijk uit, maar zijn alleen bedoeld om andere mannetjes mee uit de boom te wippen. Allemaal vechten ze voor een kans om met een vrouwtje te paren. Na de paring legt het vrouwtje de eitjes in de grond vlakbij rottend hout. De larven die hier uit komen, spenderen hier jaren onder de grond, soms tot wel 8 jaar. Hier eten ze hout dat aangetast is door witrotschimmels tot ze groot genoeg zijn om te verpoppen tot volwassen kever.

Larve van het vliegend hert
© Vroege Vogels
Thema's: