
Met de kinderen in Bonaire, 1977
Familieverhoudingen worden op vakantie vaak uitvergroot of komen onder druk te staan. Deel 2 van een zomerserie: Peter Faber herinnert zich de spanning tussen zijn ouders: ‘Ze hadden altijd frictie.’
We spraken af in zijn atelier, in een oude school in Amsterdam-West. ‘Bel maar als je voor de buitendeur staat,’ had Peter Faber gezegd. ‘Dan kom ik opendoen.’ Omdat de deur openstond, dirigeerde hij ‘twee keer links’ te gaan. Terwijl ik het atelier van iemand anders binnenliep (die niet op- of om keek), riep Faber dat hij mijn rug zag en dat ik een stukje terug moest lopen. Vervolgens hoorde ik hem tegen iemand praten. ‘Je was hier toch al eens geweest, zei je, om over Te gek om los te lopen te praten? Je mag roken hoor hierbinnen.’ Ik riep in de telefoon dat ik verdwaald was, maar Faber was druk met zijn gast die hij voor de journalist hield. Toen viel het kwartje. ‘Waar ben je? Je bent de verkeerde deur ingegaan. Ik had toch gezegd de RODE deur!’
‘Godverdomme,’ zei hij toen ik de rode deur die achter een struik verstopt zat had gevonden. Hij beende voor me uit. ‘Niet zo bozig Peter,’ zeiden twee jonge buurvrouwen die op de gang naast zijn atelier met verfrollers in de weer waren plagerig. ‘Ik ben niet boos.’ Boosheid dient gespeeld te worden. Dat kunnen acteurs. Soms lijkt het net echt.
Faber is 83 en nog immer actief. Zijn atelier hangt en staat vol kleurige schilderijen van zijn hand. Acteren doet de multitasker niet meer, al geeft hij, samen met een voormalig politieagent, nog workshops aan ex-gedetineerden. Maar de lijst met wat hij heeft gedaan is lang: na een opleiding als mimespeler was hij medeoprichter van het roemruchte Werkteater, een gezelschap dat op basis van improvisatie werkte. Vanaf midden jaren 70 lonkte ook de film: de hoofdrol in Max Havelaar, een rol in de Amerikaans/Engels blockbuster A bridge too far; Ciske de rat, Schatjes, Mama is boos. Er was televisie en theater, hij gaf les en richtte een stichting op die zijn naam draagt en die zich bezighoudt om (hang)jongeren in actie te laten komen door theater. Er waren vijf huwelijken, vijf scheidingen en er kwamen vier kinderen van vier vrouwen.
Hij gooit een foto op tafel. ‘Volendam.’ Op de beduimelde zwart-witfoto staan een olijk jongetje en een blozend meisje in klederdracht. ‘Mijn zusje en ik. Een dagje Volendam, met de boot ernaartoe. Die vertrok achter Amsterdam-Centraal en voer helemaal naar de sluis in Volendam. Ik weet niet meer of allebei mijn ouders mee waren. Ik zal een jaar of zes, zeven zijn geweest. Je werd in die kleren gehesen en was getraind om blij te kijken.’
Een vraag wordt genegeerd. Van zijn à propos: ‘Vragen stellen mag straks.’
‘De eerste vakantie die ik me echt herinner was met mijn beide ouders. We zouden een fietstocht maken, maar we kwamen niet ver, want op een smalle brug stopte mijn moeder om een bus te laten passeren, die toch haar wiel raakte. Mijn vader was zo kwaad dat hij haar fiets pakte en in de sloot gooide en zijn eigen fiets erachteraan. We gingen lopend terug naar huis. Ik herinner me een dagje Schiphol. Was ook geen succes. Mijn ouders kregen slaande ruzie.’
Dan waren er nog de schoolvakanties met kinderkampen. Ook die waren geen lang leven beschoren in huize Faber. ‘Het waren van die dagkampen ergens in Amsterdam waar het groen was. Ik was nogal wild en kwam smerig terug. Daar had mijn moeder geen zin in.’ Ook die ene met de speeltuinvereniging, bij de grens met Duitsland, liep niet goed af. Faber zakte in het moeras. ‘Op de een of andere manier zijn uitjes voor mij verbonden aan iets dat ontspoort ofzo. Ik moest ook altijd in mijn uppie in de bus zitten voor straf om het een of ander.’
'Ik moest altijd in mijn uppie in de bus zitten voor straf'
Hij neemt een trekje van zijn sigaret. De rook hangt als een dikke deken in het potdichte atelier.
‘Later ging ik werken in de vakantie. Dat vond ik leuk trouwens. De eerste keer in de patatzaak van mijn oom in Sneek, ’s ochtends vroeg de aardappelen snijden en voorbakken. Hard werken. Ik werd er voor het eerst verliefd. Toen ik weer thuis was, viel er een kaartje in de bus. Er stond een kruisje op. Mijn moeder legde uit dat dat stond voor een kusje. Later heb ik de melkboer nog geholpen en ik ben ook nog als hulpje met een expediteur in zo’n grote vrachtwagen meegereden. Dan haalde de chauffeur me om zeven uur ’s ochtends op en leverde me om zeven uur ’s avonds weer af voor de deur.’
‘Dat zijn in grove lijnen mijn vakantieherinneringen,’ zegt Faber.
Dit is het tweede deel van de VARAgids-zomerreeks Ik ga op vakantie en ik neem mee waarin BN’ers een moeizame familievakantie van weleer opdissen. Lees hier het eerste deel met Gerri Eickhof.