
© Erik Smits
De nieuwslezer van het NOS-Journaal is onlosmakelijk verbonden met ‘haar’ Waddeneiland. ‘Het is heerlijk om gewoon even Afke van Ameland te zijn.’
Afke Boven werd geboren in Dokkum maar verhuisde met haar ouders op haar vijfde naar Ameland, omdat haar ouders het rondvaartbedrijf van haar opa overnamen. Over opgroeien op een eiland en studeren aan de vaste wal schreef ze het boek Als de laatste boot vertrokken is. Ook tekende ze van ruim twintig -eilanders hun ervaringen op.
‘De uitgever vroeg of er niet een verhaal in “de Wadden” zat. Toen dacht ik: de meeste boeken over de Wadden gaan over natuur, bijna nooit over de eilanders en het échte leven op de eilanden zelf. Bovendien worden ze vaak geschreven door mensen van de wal. Het was heerlijk om weer even gewoon Afke van Ameland te zijn en dat ook op papier te zetten. En het gaf lucht, want ik kon het nieuws en de rest van de wereld loslaten door in die eilandbubbel te stappen.’
Ik wilde graag mensen die niet dagelijks in het nieuws zijn, maar wel een goed verhaal hebben. Op Ameland was dat makkelijk omdat ik daar veel mensen ken. Voor de andere eilanden ben ik gaan rondbellen. Via via kwam ik steeds verder. Op Vlieland mailde ik bijvoorbeeld met politieke partijen met de vraag of ze een jonge politicus hadden die wel met mij wilde praten? Op die manier ben ik alle eilanden afgegaan en heb ik mensen uit totaal verschillende beroepsgroepen gevonden, die ook allen wel iets meegemaakt hebben. Én die een verhaal te vertellen hebben. Op Schiermonnikoog voelde ik wel enige terughoudendheid om mee te werken, maar dat werd ruimschoots goedgemaakt door Marjolein die dankzij een klapband de liefde vond en vanuit Antwerpen naar het eiland verhuisde. Op Vlieland sprak ik Karla Moust, die door haar schoonvader die wethouder was de lokale politiek in ging. Kort daarna kreeg hij een motie van wantrouwen aan zijn broek. Dat was voor haar best lastig want op een eiland kom je elkaar steeds weer tegen, dus ook de mensen die hem wegstuurden. Dat heeft enorme impact. Het ene verhaal gaat over liefde, een ander verhaal over werken op een ambulance, maar er loopt een duidelijke rode draad door alle verhalen: het is een kleine gemeenschap en je moet het met elkaar rooien. En zo leeft ook iedereen. Neem Daan Pootjes, een Hilversummer van tachtig die als kleuter op Terschelling terechtkwam, en als enige buitendijks woont in Oosterend. Hij staat bekend om zijn Friese stamboekpaarden. Ook al pakte hij gelijk de tuinstoelen erbij, ik merkte ook dat ik hem nog wel even voor me moest winnen. Maar als je een beetje door die afstandelijkheid heen breekt, dan gaan die twinkelende oogjes die veel eilanders kenmerken, spreken en voor je ’t weet hoor je alles en lach je je een breuk.
Iedereen heeft een prachtig, vaak ontroerend verhaal. Het gesprek met Dennis Boon op Texel vond ik bijvoorbeeld fantastisch. Hij is in hart en nieren een eilander, een natuurmens uit een echte juttersfamilie. Hij straalt iets heel puurs uit, what you see is what you get. Zijn verhalen over strandjutten waren geweldig, vol avontuur en humor natuurlijk. Maar eigenlijk maakten alle gesprekken iets bij mij los. Ik voelde telkens: wij zijn van hetzelfde soort. Zonder vooroordelen die mensen van de wal soms nog hebben. Dat mensen vragen: ‘Kun je hier ook pinnen’ terwijl ze net langs een pinautomaat zijn gelopen. En we hadden jaren geleden een personeelsfeest van SBS waarbij de gasten verbaasd waren dat je op Ameland gewoon SBS kunt ontvangen. En nee, de kinderen gaan hier niet met de helikopter naar school. Die verontwaardiging leeft sterk op de eilanden. Alsof het achtergebleven gebied zou zijn, terwijl het toerisme hier in de jaren 20 van de vorige eeuw al bloeide. Natuurlijk hebben we geen Kalverstraat, maar als je dát mist, dan kun je jezelf blijkbaar slecht vermaken.
Ik zou eigenlijk ‘eilander’ moeten zeggen want officieel ben ik import, maar ik vóel mij heel erg Amelander. Nog steeds, ook al woon ik er nu natuurlijk alweer een tijdje niet meer. Mijn hart ligt echt daar. Ik hoor gelukkig heel vaak: ‘Je bent er een van ons.’ Het betekent ook echt iets als je er geboren bent. Eilanders vinden het bijvoorbeeld jammer als een kind op de wal geboren wordt omdat dan niet de naam van je eiland in het paspoort staat. Dat steekt. Zelfs bij overlijden speelt dat gevoel mee.
'Ik vóel mij heel erg Amelander.'
Het heeft mij gevormd. Ik heb er goed ontwikkelde sociale voelsprieten door gekregen. Als kind scande ik op de rondvaartboot van mijn ouders al meteen iedereen die binnenkwam. Ik was vroeg zelfstandig en ben behoorlijk eigenwijs – een prima combinatie. Ik denk ook dat ik vrij nuchter ben. Als eilander voel je hoeveel vrijheid er juist in beperktheid kan zitten.
Ja, heel goed. Zij leven er! Zij weten bij wijze van spreken elk zandkorreltje te liggen, ze weten wat de natuur kan hebben en daar gaan ze doorgaans heel zorgvuldig mee om. Veel besluiten worden genomen door mensen achter een bureau die misschien nog nooit op een eiland zijn geweest. Ze hebben vast verstand van zaken, maar ga er eens een jaar zitten en kijk hoe men met de natuur omgaat. Natuurlijk moet er toezicht zijn op toeristen die met fatbikes door kwetsbare gebieden rijden maar moet je daarom meteen de -Boschplaat afsluiten? Ik denk ’t niet. Ik interview in mijn boek ook de vrouw van een burgemeester van Ameland die buiten zijn medeweten om op een ludieke actie voerde tegen de Waddenvereniging die leden kwam werven onder toeristen. Toeristen die na drie weken weer vertrekken terwijl eilanders er wonen en werken.
Geweld is nooit het antwoord en persvrijheid staat voor mij buiten kijf. Maar vanuit het eilander perspectief heeft het me ook enorm geraakt. Deze tradities zijn voor veel eilanders – ook voor mij – het hoogtepunt van het jaar. Een moment van echt weer even met elkaar zijn, bijpraten, dansen, heel veel lol maken. Een soort reünie. Ik begrijp de interesse, tegelijkertijd miste ik de oprechte dialoog vrij van vooroordelen.
Achteraf gezien was het heel logisch. Ik maakte op mijn vierde al boekjes en op school zeiden ze altijd: die gaat Nederlands studeren. Toch koos ik eerst voor toerisme in Breda. Na twee weken had ik al in de gaten dat ik daar niet goed zat. Niet veel later viel het kwartje en ben ik naar Zwolle verhuisd en School voor Journalistiek gaan doen. Dat paste me vanaf het eerste moment als een jas.
Lees verder in VARAgids 21. Vanaf dinsdag 19 mei 2026 in de app, op de mat en in de winkel. Nog geen abonnee? Lees de VARAgids al vanaf 38 cent per week.
Ontvang elke werkdag de beste kijktips met de Avondeditie-nieuwsbrief