Plastic heeft ons leven in vele opzichten een stuk makkelijker gemaakt. We kunnen er voedsel langer mee bewaren en in de medische wereld is het bijna onmisbaar. Het is een materiaal dat vooral uit olie bestaat, met veel chemische toevoegingen. Kunnen we ooit nog zonder? Dat we voor van alles plastic gebruiken, heeft wel gevolgen. Voor de aarde en voor onze gezondheid. Het laat diepe sporen na, in ons water, in de bodem, in ons voedsel. En uiteindelijk dus ook in ons lichaam. En dat is reden voor zorg.
De Vlaamse onderzoeksjournalist Isabelle Vanhoutte schreef het boek Lek – Hoe plastiek ons ziek maakt, over de gevaren van chemische stoffen in plastic. Ze deed daarvoor uitgebreid onderzoek en sprak tal van experts op dit gebied, zoals de Nederlandse toxicoloog Jacob de Boer.
Haar boek is onlangs uitgekomen, ongeveer tegelijk met een alarmerende documentaire op Netflix, The Plastic Detox. Daarin wordt wetenschappelijk onderzoek aangehaald over de effecten van chemische stoffen als bisfenolen en ftalaten (weekmakers) die veel in plastic voorkomen. En die bijvoorbeeld kunnen bijdragen aan onvruchtbaarheid. Een experiment met een aantal stellen dat al langer probeert zwanger te worden, laat de positieve effecten zien van het leven met zo min mogelijk plastic.
Plastic zonder die chemische additieven is weinig bruikbaar, dat brokkelt af. Maar de stoffen die worden toegevoegd om het plastic plastic te maken, vormen ook in potentie het probleem.
De kern van het verhaal van Isabelle Vanhoutte is dat er zoveel chemische stoffen aan plastic worden toegevoegd waarvan we de schadelijkheid op de lange termijn nog niet weten. “We varen blind.”
In plastics kunnen 16.000 verschillende chemische stoffen voorkomen. Van twee derde weten we niet in welke mate ze schadelijk zijn. En we weten ook nauwelijks hoe die chemische stoffen weer op elkaar reageren. Maar er zijn verbanden met verminderde vruchtbaarheid en verhoogde kankercijfers. Bijvoorbeeld, weekmakers (ftalaten) komen veel voor in plastics, waarvan er een aantal schadelijk zijn tijdens de zwangerschap. Bij zwangere vrouwen kan dat gevolgen hebben voor het kind.
Isabelle Vanhoutte vindt dan ook dat aan de voorkant veel beter moet worden nagegaan of er risico’s op schadelijke effecten kunnen optreden op de lange termijn. Hoe moeilijk dat ook is. Dat is een verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, maar ook van de overheid. En van de Europese Unie, dat op papier een streng toelatingssysteem heeft voor chemische stoffen, maar in praktijk toch veel stoffen toelaat die later schadelijk zouden kunnen zijn. En eenmaal toegelaten is het heel moeilijk om er weer vanaf te komen, zo leert ook het voorbeeld van PFAS.
Plastic is niet alleen maar slecht. Het heeft ons ook goede toepassingen gegeven. In de gezondheidszorg bijvoorbeeld, de slangetjes in de neonatologie, kunstlongen, een veel betere hygiëne. Het heeft levens gered, erkent ook Isabelle Vanhoutte. En als we plastic duurzaam, voor langere tijd kunnen gebruiken zou dat veel minder een probleem zijn.
Maar we gebruiken steeds meer wegwerpplastic in verpakkingen bijvoorbeeld. 40 procent van het geproduceerde plastic zit in verpakkingen, ongeveer de helft daarvan in voedselverpakkingen. En dat komt in ons voedsel en daarmee in het bloed en de organen. Wat daarvan de uitwerking is op de langere termijn, daarvan weten we veel te weinig.
Al het plastic uitbannen is ondoenlijk. Maar als we kritisch kijken naar ons eigen plastic gebruik, kan het best met minder. Er zijn alternatieven, als je goed zoekt. Zoals we al het gebruik van plastic zakjes in de supermarkt sterk hebben teruggedrongen.
Thema's:
Meld je snel en gratis aan voor de Kassa nieuwsbrief!