
Deze week nam ik bij gebrek aan een directe treinverbinding tussen Amsterdam en Rotterdam - ja, heel gek maar inmiddels normaal - in Den Haag de metro naar Rotterdam. Ik was niet de enige. De metro was compleet volgepakt zoals ik dat alleen uit Japan ken. Ik stond tegen de deur aangeduwd en moest bij het optrekken en afremmen mijn evenwicht zien te bewaren door met mijn vingertoppen de sponningen vast te houden.
Het was buiten 32 graden. Binnen liep de temperatuur snel op tot veel hoger. De metro heeft geen airconditioning - (lekker goedkoop) en de ramen kunnen niet open (lekker goedkoop). Het zweet gutste langs mijn hele lichaam en niet alleen bij mij. Een passagier dreigde onwel te worden. Ik dacht aan wat er zou gebeuren als deze metro stil zou vallen, bijvoorbeeld door een overstekende zwaan of stroomstoring. Dit was een recept voor een ramp. Gelukkig gebeurde dat niet maar de ruim 40 minuten durende rit was een uiterst onaangename ervaring.
Het maakte me weer eens duidelijk dat de infrastructuur helemaal niet is bedacht op deze extreme temperaturen, waar we in de nabije toekomst nog veel meer mee te maken gaan krijgen. Eurostar heeft het beleid aangepast en laat nu treinen bouwen die moeten blijven functioneren bij 55 graden. Sahara proof, noemen ze het en dat gaan ze nodig hebben. Bedenk daarbij dat de lijnen van Eurostar niet zuidelijker gaan dan Parijs.
De NS kiest voorlopig voor een goedkopere optie, die laat treinen gewoon niet rijden. Het materieel is niet geschikt voor temperaturen van boven de 30 graden. Het populaire zomerabonnement, dat gelanceerd is om onder andere automobilisten die de hoge brandstofprijzen niet meer kunnen betalen te helpen? Dat kan zo wel eens een kat in de zak worden. Heb je een abonnement genomen, rijden er gewoon geen treinen meer.
Ik wil maar zeggen dat we deze zomer weer verder met onze neus op de klimaatcrisis gedrukt worden, die zich sneller ontwikkelt dan gedacht. Bosbranden bijvoorbeeld worden zo intens dat ze hun eigen klimaatomstandigheden gaan creëeren, waardoor ze nog heviger kunnen worden. En de branden beperken zich niet langer tot Zuid-Europa. De vlammen naderen Parijs al, maar bijvoorbeeld ook Ierland en Zweden zien de natuurbranden uit de hand lopen.
In het Verenigd Koninkrijk wordt geopperd de verkoop van wegwerpbarbecues te verbieden omdat die een gevaar voor de nationale veiligheid vormen. Het deed me denken aan de beruchte uitspraak van toenmalig premier Mark Rutte: “We moeten nog gewoon kunnen blijven barbecueën”. Dat was in 2019. Hij wilde klimaatmaatregelen afremmen want hij was bang dat het beleid zou “doorslaan”. Nou, weet je wat er pas echt is doorgeslagen? En het is nog maar het begin.
Het is geen alarmisme, het is de situatie van vandaag. En morgen. En volgend jaar, etcetera. De zomer wordt een gevaarlijk probleemseizoen. Je bent wereldvreemd als je je daar geen zorgen over maakt.
Het gekke is dat het publieke debat in Nederland er nu niet over gaat. Het aantal opiniebijdragen over de klimaatcrisis dat we deze zomer bij Joop ontvingen kun je op de vingers van één hand tellen. Een oproep van Sophie Straat aan haar publiek om wat ruimte te maken voor minderheden maakte meer los. Om maar wat te noemen.
Bij andere media is het net zo of erger. Op de opiniepagina van de Volkskrant is het onderwerp afwezig deze zomer. In het Parool klimt wethouder Lian Heinhuis in de pen om de Amsterdammers uit te leggen dat niet iedereen een airco moet willen. “Een airco haalt warmte uit de woning en blaast die vervolgens buiten weer uit. In een compacte stad kan de verkoeling van de een zo het hitteprobleem van de ander vergroten.” Ja, individueel handelen uit eigen belang is zelden een oplossing voor collectieve problemen. De wethouder is meteen ook de enige politicus die ik bij mijn zoektocht naar opiniebijdragen tegenkwam.
Aan het nieuws ligt het niet. Vrijwel dagelijks zijn er zorgelijke ontwikkelingen, van branden tot droogte, tot oversterfte, tot en met festivals en evenementen die afgelast of ingekort worden. Ook al wordt de klimaatcrisis daarbij vaak als oorzaak weggelaten. De jarenlange twijfelzwaai-campagne van de fossiele industrie werkt nog steeds door.
Misschien wordt de leegte in het debat veroorzaakt doordat het lijkt alsof alles over het klimaat al eens gezegd is. Dat is niet zo maar zelfs dan: het is kennelijk niet vaak genoeg gezegd. Het gaat ook niet om het roepen van leuzen maar om het denken. Willen we er niet meer over denken omdat de situatie zo uitzichtloos is, zoals de Franse filosofie influencer Marie Robert deze week opmerkte? Ze deed een oproep: “Hannah Arendt schreef dat denken op zich al een vorm van handelen is. Dat in de donkerste momenten, weigeren om te stoppen met denken, weigeren om je te laten leiden door slogans en zekerheden, op zichzelf een daad van verzet is. Niet het soort denken dat van bovenaf neerkijkt, maar het soort dat twijfelt, dat vragen stelt, dat standhoudt in het ongemak van onbeantwoorde vragen. Dus als ik een pleidooi mag houden, als ik één ding mag beïnvloeden, dan is het dit: laten we niet stoppen met samen denken.”
Denken doe je het best door te schrijven (en dat niet aan AI over te laten). Waarom blijft dat dan uit? Is het omdat rechts in Nederland het debat domineert? Zie bijvoorbeeld de reacties op Sophie Straat, die tot de zoveelste veldslag in de opinieoorlog van boze witte mannen leidde.
Rechts is inderdaad veel actiever en gedrevener in de opinievorming. Dat valt me al jaren op. Ze publiceren gewoon meer, of dat nou op sociale media is, op opiniesites of in kranten, om over de praatmedia nog maar te zwijgen. De linkse commentatoren lijken vooral bezig die opinies van zich af te slaan. Als ik bijvoorbeeld BlueSky open zie ik geen linkse bubbel maar allemaal mensen die bezig zijn met wat rechts nu weer voor vreselijks zegt of doet.
Dat zal toch niet de reden zijn dat het zo stil is over de klimaatcrisis? Dat het komt omdat rechts er nu niks over zegt? Die kijken immers wel link uit.