Logo Joop
De opiniesite van BNNVARA met actueel nieuws en uitgesproken meningen

Wil je vrije marktwerking? Pak dan het kapitalisme aan!

  •  
03-03-2022
  •  
leestijd 7 minuten
  •  
1181 keer bekeken
  •  
FRANCE - ECONOMY - E - COMMERCE - AMAZON

© Foto: Sebastien Bozon / AFP

30 jaar geleden werd het neoliberalisme verkocht als het summum van vrije marktwerking. Maar daarop valt heel wat af te dingen. Het neoliberale kapitalisme heeft een ingebakken tendens tot ongelijkheden en monopolievorming en staat daardoor juist marktwerking in de weg.
Gewoonlijk worden kapitalisme en marktwerking als synoniem genomen. Maar dat is niet alleen historisch onjuist – ruilhandel en markten zijn vele eeuwen ouder dan het kapitalisme – het klopt ook niet als we kijken naar de praktijk van het neoliberale kapitalisme. Marktwerking vereist, zoals liberale economen zeggen, een level playing field : om met elkaar te kunnen concurreren moeten marktspelers ongeveer even sterk zijn. Alleen dan kan wat Adam Smith de ‘onzichtbare hand van de markt’ noemde vraag en aanbod op de meest efficiënte wijze op elkaar afstemmen (‘allocatie’). Maar als er íets op gespannen voet staat met gelijke speelvelden, dan is dat wel het kapitalisme met z’n inherente tendens tot eindeloze accumulatie en concentratie van kapitaal in de handen van enkelen.
Kapitaal en markt: een gespannen verhouding In het kapitalisme geldt: ‘ the big fish eat the little fish ’. Hierdoor leidt het kapitalisme tot steeds grotere ongelijkheden tussen rijk en niet-rijk, tot steeds grotere multinationals en daarmee ook tot kartel- en monopolievorming – allemaal ontwikkelingen die stelselmatig de vrije markt ondergraven. Deze monopolisering is nu zo ver voortgeschreden dat slechts drie investeringsmaatschappijen – BlackRock, Vanguard en State Street – de grootste aandeelhouders zijn bij 90 procent (!) van de beursgenoteerde bedrijven.
De econoom Paul de Beer wijst ook op deze inherente spanning tussen kapitaal en marktwerking. Ogenschijnlijk sluiten beide elementen van het kapitalisme naadloos op elkaar aan: het winstmotief van de kapitaalbezitter vormt de prikkel voor investeringen en daarmee voor economische groei en technologische innovatie, terwijl het marktmechanisme zorgt voor de meest efficiënte afstemming van vraag en aanbod. Zo althans werkt de economische theorie. Maar de praktijk is anders volgens De Beer:
‘Bij zorgvuldige beschouwing blijken beide aspecten van het kapitalisme echter vaak haaks op elkaar te staan. Het rendement op kapitaal is hoger naarmate de kapitaalbezitter er beter in slaagt een monopoliepositie te verwerven en het marktmechanisme buiten werking te stellen… Het ideaal van iedere ondernemer is dan ook om zich aan de tucht van de markt te onttrekken.’
De onzichtbare voet De allocerende werking van de markt wordt dus gefrustreerd door de inherente tendens van het kapitaal ‘om zich aan de tucht van de markt te onttrekken’. De onzichtbare hand van de markt wordt zo tegengewerkt door wat wel de ‘onzichtbare voet’ van het kapitaal wordt genoemd. Aldus Herman Daly, een van de grondleggers van de ecologische economie: ‘De ‘onzichtbare hand’ van Adam Smith leidt ertoe dat het private eigenbelang onbewust het algemeen belang dient. De ‘onzichtbare voet’ leidt ertoe dat het private eigenbelang dit algemeen belang weer kapot schopt.’
In de praktijk van het huidige hyperkapitalisme zien we duidelijk hoe het ideaal van gelijke speelvelden verstoord wordt door de groeiende ongelijkheid tussen rijk en niet-rijk. Hoe kunnen kleine ondernemers concurreren met supermachtige multinationals, die vaak groter zijn dan een gemiddeld land? Hoe kunnen arme landen concurreren met rijke landen als zij moeten voldoen aan handelsregels die systematisch in het voordeel van de rijke landen zijn, simpelweg omdat deze regels door de rijke landen en hun multinationals gedicteerd worden? Hoe kunnen kleine boeren, die lokaal en ecologisch verantwoord willen werken, concurreren met de door het grootkapitaal gefinancierde agribusiness? Op de arbeidsmarkt speelt hetzelfde probleem: hoe kunnen jongeren die opgroeien in achterstandswijken later ooit op een eerlijke manier concurreren met jongeren uit welvarende wijken, die opgroeien met meer geld, beter onderwijs, een gezondere leefomgeving en een beter sociaal netwerk?
Platform-economie: de privatisering van de markt Door de digitalisering neemt de ondermijning van de marktwerking door het kapitalisme bovendien steeds extremere vormen aan. Zie de digitale platform-economie, die er feitelijk op neerkomt dat multinationals als Google, Amazon en Uber hele markten overnemen en als privébezit toe-eigenen. Door het bezit van cruciale digitale technologieën (‘apps’) hebben deze multinationals feitelijk de infrastructuur van de marktwerking in handen.
Anders dan vroeger draait de macht van het kapitaal in de platform-economie niet om het privébezit van de productiemiddelen – dat is voor de platform-bedrijven minder belangrijk. Een taxichauffeur die zijn diensten via Uber aanbiedt kan zelf de eigenaar zijn van zijn auto, een pizzabakker die zijn pizza’s via Deliveroo aanbiedt, kan zelf de eigenaar zijn van zijn keuken, etc. Waar het om gaat in de platformeconomie is privébezit van de markt-middelen , dat wil zeggen de digitale middelen die vragers en aanbieders in staat stellen om elkaar te vinden.
Op deze wijze kunnen de platform-bedrijven de ‘vrije markt’ zélf bezitten en controleren. Zoals de econoom en Griekse ex-minister van Financiën Yanis Varoufakis stelt: ‘Zodra je Amazon binnengaat, verlaat je de markt. Je betreedt een domein waar alles wat gekocht en verkocht wordt, bestuurd wordt door één algoritme, één persoon, één eigenaar.’
Kortom, het neoliberale verkooppraatje voor het gedereguleerde kapitalisme, dat vrije marktwerking voor iedereen het beste zou zijn, is een wassen neus. Als er iets op gespannen voet staat met vrije marktwerking – met het gelijke speelveld dat nodig is voor eerlijke concurrentie – dan is dat het kapitalisme met zijn ingebakken tendens tot kapitaal-accumulatie en -concentratie. Vandaar de radicale conclusie van Varoufakis: ‘Een ware herleving van de mark vereist het einde van het kapitalisme.’
Liberalisme en socialisme: een verouderde tegenstelling? Willen we écht vrije marktwerking, dan moet we het kapitalisme drastisch aanpakken. Liberalisme en socialisme, de oude politieke vijanden, blijken dan ineens een stuk dichter bij elkaar te liggen. Voor het liberalisme betekent dit dat het zich niet langer als de ideologische schaamlap van het kapitalisme moet laten misbruiken. Te lang hebben liberalen het principe van vrije marktwerking gebruikt om een economisch systeem te rechtvaardigen dat dit principe juist ondermijnt.
Wat liberalen moeten erkennen is dat een socialistische herverdelingspolitiek broodnodig is om eerlijke marktwerking mogelijk te maken. Door welvaart te herverdelen van rijk naar arm – en naar de sociale voorzieningen waar vooral armen van profiteren, zoals onderwijs en gezondheidszorg – geef je de armen extra ondersteuning zodat hun concurrerend vermogen op de arbeidsmarkt toeneemt én je voorkomt dat de rijken te rijk worden en zo de markt en de politiek gaan domineren.
Voor socialisten betekent deze ontkoppeling van marktwerking en kapitalisme dat ze eindelijk los kunnen komen van hun contraproductieve anti-markt-retoriek. Socialisten die het neoliberale kapitalisme verwerpen als ‘marktfundamentalisme’ trappen daarmee precies in de val die het neoliberalisme heeft uitgezet – namelijk: het gedereguleerde hyperkapitalisme verkopen als het summum van vrije marktwerking. Inmiddels zouden ook socialisten beter moeten weten.
Het contraproductieve van deze anti-markt-retoriek is dat het socialisme zichzelf daarmee isoleert en kwetsbaar maakt voor het verwijt van economische achterlijkheid. Want als je tegen marktwerking bent, wat wil je dan? Een centraal geleide economie, zoals in het Sovjet-communisme? Daarvan is duidelijk dat het niet heeft gewerkt en niet kan werken. De bureaucraten die een planeconomie ten uitvoer moeten brengen krijgen daarmee een enorme macht die onherroepelijk tot misbruik en corruptie leidt, wat in de Sovjet-Unie op grote schaal gebeurde.
Daarbij komt dat liberale economen overtuigend hebben laten zien dat zonder een vorm van marktwerking het nagenoeg onmogelijk is om precies te weten welke producten en diensten mensen willen en welke hulpbronnen daarvoor op de meest efficiënte wijze gebruikt kunnen worden. Er is geen efficiënter middel dan het marktmechanisme om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Maar, nogmaals, daarvoor moet er wel een gelijk speelveld zijn en dat is er niet in het huidige kapitalisme.
Ook socialisten ontkomen niet aan marktwerking als ze een serieus model voor een alternatieve economie willen. Dit betekent geenszins een knieval voor het kapitalisme: voor écht vrije marktwerking is juist een drastische inperking of zelfs afschaffing van het kapitalisme nodig.
Tot slot: naar een klassenloze markteconomie? Hierin kunnen liberalen en socialisten elkaar dus vinden. Al blijft er genoeg ruimte voor onenigheid over de precieze mate waarin het kapitalisme ingeperkt moet worden. Hier is het voor socialisten van belang om te weten dat ze niets aan radicaliteit hoeven in te boeten, zoals bijvoorbeeld de zelfverklaarde ‘liberale marxist’ Varoufakis laat zien.
In zijn alternatief, dat hij ‘corpo-syndicalisme’ noemt, blijft de economie het strijdtoneel van winstgerichte bedrijven die met elkaar concurreren op vrije markten, met dit verschil dat de bedrijven niet langer in handen zijn van rijke aandeelhouders maar in handen van de werknemers zelf. Daarmee wordt het kapitalistische klassenonderscheid tussen aandeelhouders die de winsten opstrijken en de werkers die loon ontvangen afgeschaft.
De economie blijft dan een markteconomie, maar de concurrerende bedrijven veranderen in coöperaties met arbeiderszelfbestuur. Op deze wijze combineert Varoufakis het liberale principe van marktwerking met de radicaal egalitaire principes van het ‘anarcho-syndicalisme’ dat begin 20ste eeuw een belangrijke rol speelde in de arbeidersbeweging. In zijn roman Another Now uit 2020 geeft Varoufakis een min of meer uitgewerkt model van hoe een corpo-syndicalistische economie zou kunnen werken.
Zelfs vanuit het communisme kan er een argument geformuleerd worden voor markt-socialisme, iets waar de Poolse socialist en econoom Oskar Lange al in de jaren ‘30 voor pleitte. Communisme staat oorspronkelijk voor collectief bezit en beheer van de productiemiddelen. Maar is het marktmechanisme zelf niet het belangrijkste ‘productiemiddel’ gezien het cruciale belang ervan voor de onderlinge afstemming van vraag en aanbod?
Communisme moet dan ook, in mijn ogen, niet draaien om het afschaffen van het marktmechanisme, maar om het collectief beheren van dat mechanisme, het inbedden ervan in een socialistische staat die ervoor zorgt dat de dynamiek van de marktwerking niet ten koste gaat van het algemeen belang maar er juist ten dienste van staat. Dit geldt des te meer in het licht van de huidige platform-bedrijven, die zich hele markten als privébezit toeëigenen: wat is er in deze situatie communistischer dan het ‘collectiviseren’ van deze markten, om ze aan de greep van het kapitaal te onttrekken?
Delen:

Praat mee

onze spelregels.

avatar
0/1500
Bedankt voor je reactie! De redactie controleert of je bericht voldoet aan de spelregels. Het kan even duren voordat het zichtbaar is.