
Het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) waarschuwde in juni dat boodschappen volgend jaar mogelijk met tien procent in prijs stijgen. Volgens de brancheorganisatie zijn hogere belastingen, stijgende energiekosten, de vrachtwagenheffing en andere overheidsmaatregelen daarvoor de belangrijkste oorzaken. Dat zijn zonder twijfel kostenverhogende factoren. Maar daarmee wordt slechts een deel van het verhaal verteld.
Een minstens zo belangrijke oorzaak blijft opvallend onderbelicht: de marktmacht van internationale producenten van A-merken. Juist zij bepalen in belangrijke mate hoeveel ruimte supermarkten hebben om op prijs te concurreren. Uiteindelijk betaalt de consument daarvoor de rekening.
Een interne markt die niet volledig werkt
De Europese interne markt is gebaseerd op een eenvoudig principe: goederen moeten zich vrij kunnen bewegen binnen de Europese Unie. Vrije concurrentie moet leiden tot lagere prijzen, meer keuze en betere voorwaarden voor consumenten. In de praktijk werkt dat bij veel A-merken echter niet zoals bedoeld.
Supermarkten lopen nog altijd aan tegen territoriale leveringsbeperkingen. Daardoor kunnen zij identieke producten niet vrij inkopen in andere EU-lidstaten waar dezelfde producten goedkoper verkrijgbaar zijn. Dat komt niet doordat Europese wetgeving dit verbiedt, maar doordat sommige internationale producenten hun distributienetwerken en contractuele afspraken zo organiseren dat nationale prijsverschillen in stand blijven. Hierdoor wordt de interne markt feitelijk opgesplitst in afzonderlijke nationale markten.
Het gevolg is minder concurrentie tussen leveranciers en minder ruimte voor supermarkten om goedkoper in te kopen. Uiteindelijk vertaalt zich dat in hogere prijzen voor consumenten.
De andere helft van het verhaal
In het publieke debat ligt de nadruk vrijwel uitsluitend op belastingen, stijgende loonkosten, energieprijzen en andere overheidsmaatregelen. Dat zijn reële factoren die invloed hebben op de prijsontwikkeling. Maar waarom wordt nauwelijks gesproken over producenten die prijsverschillen tussen lidstaten actief in stand houden?
Waarom kunnen Nederlandse supermarkten een identiek product niet zonder belemmeringen inkopen in een andere lidstaat waar het goedkoper wordt aangeboden? En waarom accepteert de Europese Unie dat een interne markt met bijna 450 miljoen consumenten in de praktijk nog steeds wordt opgedeeld in nationale prijsgebieden? Dat zijn vragen die minstens zo relevant zijn als discussies over belastingen en regelgeving.
Een opvallende tegenstelling
Opmerkelijk genoeg heeft het CBL zelf de afgelopen jaren herhaaldelijk aandacht gevraagd voor territoriale leveringsbeperkingen en de gevolgen daarvan voor de concurrentie. Juist daarom is het opvallend dat deze problematiek nauwelijks terugkomt in de recente waarschuwing over stijgende voedselprijzen.
Als de supermarktbranche erkent dat internationale A-merkproducenten de prijsconcurrentie beperken, waarom krijgt dat onderwerp dan niet dezelfde politieke urgentie als fiscale maatregelen en nieuwe regelgeving? Een eerlijk debat over betaalbare boodschappen vraagt om een volledige analyse van alle prijsopdrijvende factoren, inclusief de marktmacht van producenten.
Tijd voor actie
De Europese Commissie onderzoekt al geruime tijd de territoriale leveringsbeperkingen waarmee sommige producenten de interne markt afschermen. Dat onderzoek mag niet blijven steken in rapporten en langdurige overlegtrajecten. Wanneer producenten de mededinging beperken en de voordelen van de interne markt uithollen, moet de Europese Commissie gebruikmaken van de instrumenten die het mededingingsrecht biedt.
Ook de Nederlandse regering zou dit onderwerp nadrukkelijker op de Europese agenda moeten plaatsen. Zolang supermarkten niet vrij kunnen inkopen binnen de Europese Unie, profiteren consumenten niet volledig van de interne markt die juist voor hen bedoeld is.