
Het klinkt logisch wat er in Den Haag wordt gezegd over accijnzen. Verlagen is niet doelmatig, want ook mensen met hoge inkomens profiteren daarvan. Je moet gericht helpen, niet generiek. Dat is economisch gezien een verdedigbaar verhaal, en wie naar de lange termijn kijkt, kan er moeilijk tegen zijn.
Je hoort dat soort redeneringen bij politici, maar ook bij mensen uit de financiële wereld zoals de president van De Nederlandsche Bank. Dat zijn mensen die gewend zijn om in grote lijnen te denken: begroting, inflatie, stabiliteit. Vanuit dat perspectief is honderd euro meer of minder op een maand geen systeemvraag.
En daar zit precies de afstand.
Vanuit een inkomen van zo’n €6.000 netto per maand als Kamerlid — of jarenlang richting de €20.000 netto aan de top van de centrale bank — is €100 geen systeemschok. Hooguit geef je ergens iets minder uit. Een paar keer geen koffie op het station, waar je tegenwoordig toch al snel €3,50 of €4 neerlegt.
Maar dat zegt vooral iets over de wereld waarin je leeft.
Voor een grote groep Nederlanders ligt die wereld namelijk heel anders. Neem iemand die fulltime werkt, gewoon veertig uur per week, en rond modaal verdient – netto nog geen €3.000 per maand. Geen uitzonderlijk verhaal, maar precies het soort werk waarop een groot deel van de economie draait, zeker in sectoren als de maakindustrie waar ik elke dag mee te maken heb.
Voor die groep zijn de afgelopen weken geen abstracte bewegingen geweest. De gasprijs die in korte tijd van ongeveer €1,35 naar €1,71 per kuub gaat, de benzineprijs die oploopt van €2,28 naar ruim €2,50 per liter – dat zijn geen grafieken, maar maandlasten. Het komt neer op zo’n €80 tot €100 extra per maand.
Dat lijkt misschien overzichtelijk, maar dat is het niet als je weinig ruimte hebt. Het betekent dat er ergens anders iets moet wijken. En dat “ergens anders” is zelden luxe. Het zit in de kleine dingen die het leven dragelijk maken.
Voor veel gezinnen betekent dat bedrag namelijk simpelweg het verschil tussen wel of niet nog een paar dagen weg kunnen in een jaar. Geen verre reizen, geen dure hotels, maar een paar dagen op een camping in Nederland. In de meivakantie misschien, en in de zomer nog een keer. Dat soort uitjes vormt voor veel mensen het enige moment van rust buiten het werk om. Dat hele jaarbudget zit ongeveer op die duizend euro. Als dat verdwijnt, verdwijnt er dus niet een beetje comfort, maar een uitlaatklep.
Ik zeg dat ook vanuit mijn eigen positie. Ik verdien meer dan modaal. Ik rijd elektrisch en heb een warmtepomp, dus mijn afhankelijkheid van benzine en gas is kleiner. Ik lig hier niet wakker van zoals anderen dat wel doen. Maar ik zit ook niet in een positie waarin prijsstijgingen geen rol spelen. Ik heb geen vergoede eersteklas treinkaart en geen inkomen waarbij dit soort bedragen volledig betekenisloos worden. En juist doordat ik daar tussenin zit, zie ik hoe groot het verschil is.
Ik kom veel bij bedrijven in de maakindustrie. Daar werken mensen die gewoon hun uren maken en hun werk doen. Geen extreme eisen, geen bijzondere privileges. Maar wel mensen die nu moeten puzzelen om rond te komen, terwijl ze alles doen wat van hen verwacht wordt. Dat zijn er geen tientallen, maar heel veel meer.
Misschien is dat wel het grootste probleem van het debat nu. Niet dat de argumenten niet kloppen, maar dat ze te weinig raken aan de dagelijkse praktijk van een grote groep werkenden.
Dat betekent overigens niet dat de oplossing simpel is. Het verlagen van accijnzen als standaardmaatregel gaat het probleem niet oplossen. Als de huidige geopolitieke spanningen doorzetten en olieprijzen verder stijgen, kom je al snel in een situatie waarin brandstof richting de drie euro per liter gaat. Dat vang je niet op met een paar cent belastingverlaging; daar is de begrotingsruimte simpelweg te beperkt voor.
Maar het alternatief kan ook niet zijn dat je het probleem relativeert en vooruit schuift. Want dan accepteer je feitelijk dat een grote groep werkenden maand na maand verder inlevert.
Als je dit serieus neemt, vraagt dat om politieke keuzes die verder gaan dan het huidige midden. Op korte termijn betekent het dat je ook naar de positie van middeninkomens kijkt, niet alleen naar de laagste inkomens. En op langere termijn ontkom je er niet aan om opnieuw te kijken naar de verdeling van lasten.
Daar hoort ook de vraag bij of hogere inkomens en vermogen voldoende bijdragen. Niet als ideologisch statement, maar omdat de rek er ergens uit is bij de groep die nu het meest onder druk staat.
Uiteindelijk draait het daar om. Voor de één is honderd euro een bedrag waar je nauwelijks bij stilstaat. Voor de ander bepaalt het hoeveel ruimte er nog overblijft in een maand, of zelfs in een jaar.
Zolang dat verschil zo groot is, blijft het debat in Den Haag een stuk abstracter dan het leven van de mensen over wie het gaat.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.