
Geen waardeoordeel en geen nostalgisch gezever, maar vroeger wasten we ons gewoon bij het fonteintje. Eenmaal per week gingen wij, vier kinderen, na elkaar in een teil met zeepsop op de keukenvloer. Mijn vader, die tuinman was, kon na een dag hard werken naar zweet, aarde, olie en benzine ruiken. Een fijne geur. Ik kwam het aroma later nog weleens tegen in romans, waar norse, onbereikbare mannen naar een mix van hout, buitenlucht en ruwe elementen roken.
Vroeger waren luchtjes nog synoniem aan zeep. We gebruikten geen geurwater of deodorant. Later stonden er weleens kleine parfumflesjes in huis, gekregen van een tante uit Duitsland. Geconcentreerde, geelachtige vloeistof. Mijn zuster goot eens zo'n flesje helemaal leeg over mijn haar. Hoe vaak ik het daarna ook waste bij het fonteintje, die zware geur bleef hangen. De meester op school werd kwaad vanwege de penetrante lucht die ik die week verspreidde. Hij hield een preek over de ruimte die ik op geurgebied innam.
Toen is mijn aversie tegen parfum ontstaan. Maar de meester legde destijds wel de vinger op de zere plek: hoeveel geurruimte mag je eigenlijk claimen in de publieke sfeer?
In de puberteit rook je elkaar veel sterker. Zweet, te lang gedragen kleding: het hoorde erbij. Een piek in de hormonen zorgt ervoor dat de zweetklieren actiever worden en een sterkere geur afgeven. Je ontwikkelt je eigen lucht en die heeft een biologische functie. Was het niet keizer Napoleon die aan zijn geliefde Joséphine de Beauharnais schreef: 'Je reviens en trois jours; ne te lave pas'? Hij hield simpelweg van haar ongewassen lichaam. Hoewel deze anekdote vaak wordt aangehaald, trekken historici de echtheid van deze brief sterk in twijfel.
Vroeger rook je die luchtjes ook in het openbaar vervoer. Dan bedoel ik niet die indringende zweetgeur van onverzorgde lichamen die in de spits dicht op elkaar stonden, dat was onprettig.
Tegenwoordig ruik je in de trein of bus bijna nooit meer een echt mens. Alles wordt gemaskeerd door deodorant. Mensen komen in een wolk van parfum binnenlopen, de een nog erger geurend dan de ander. Die chemische aanslag slaat direct op je keel. Mensen krijgen er hoestbuien en hoofdpijn van.
Net als de meester die mij vroeger toesprak, zou ik willen roepen: 'gebruik minder Axe!'
Onze natuurlijke geur verandert naarmate we ouder worden. Al vanaf je veertigste kunnen deze veranderingen optreden. Door de oxidatie van bepaalde onverzadigde vetzuren op de huid ontstaat onder meer de stof 2-nonenal, die een kartonachtige of muffe geur kan geven. Een oude mensenlucht. Die walm kun je niet zomaar met water en zeep verwijderen.
In de Japanse cultuur wordt deze geur 'kareishu' genoemd. In Japan zijn er zelfs speciale zepen ontwikkeld om 2-nonenal aan te pakken. Hoe effectief die producten zijn, valt niet uit wetenschappelijke bevindingen af te leiden. Die oude mensen mogen van mij hun lucht dan weer wel maskeren met een deodorantroller. Maar wel met mate.
Jonge mensen hullen zich ondertussen massaal in een nevel Dark Temptation, Anarchy of Black Vanilla van Axe. Toch schijnen ze elkaar daardoor niet mis te lopen op liefdesgebied. Het blijkt namelijk dat menselijke geuren niet werken als onweerstaanbare seksferomonen. Onze levenspartner vinden via geur is veel subtieler.
Aantrekkingskracht bij de mens blijft een complex samenspel van psychologie, uiterlijk, persoonlijke hygiëne en geurvoorkeuren, dus geen magische geurstof. Zelfs met een laag sterke deodorant op, vangen je zintuigen nog signalen op.
Overal zijn tegenwoordig maskerende geuren voor: voor thuis, het wasgoed, het oppeppen van gedragen kleding. Elk winkelcentrum ruikt chemisch naar bloemen. Geur staat direct in verbinding met het emotionele deel van ons brein. Een aangenaam aroma zorgt ervoor dat bezoekers ontspannen, hun tijdsbesef verliezen en tot wel 20% tot 40% langer in het winkelcentrum blijven hangen. En dus meer kopen.
Sommige winkels zijn te herkennen aan hun geur, door verkoop van wierook en patchoeli. Samen met goedkoop plastic, bewerkt hout, rieten manden en kaarsen kan de lucht verstikkend overkomen.
Misschien heeft het parfumtrauma uit mijn jeugd mijn blik en mijn neus wat vertroebeld. Toch blijf ik erbij: ik ben voor minder kunstmatige luchtjes en voor wat meer mensengeur.