
Achter de toonbank van een boekenwinkel heeft een 25-jarige, blanke, Nederlandse vrouw geen idee wie Bart Chabot, Jules Deelder of Herman Brood zijn. Tsja…..dat kan natuurlijk. Haar 20-jarige, moslima-Nederlandse collegaatje had eerder al nooit gehoord van Gerard Joling. Eh..tsja (2), jammer voor Gerard maar dat vind ik dan weer niet zo gek. Nou ja, een beetje. Gerard zit nonstop op de treurbuis en Chabot (en familie) schrijven nog altijd boek na boek.
Dat roem vergankelijk is weten wij uiteraard allen. Dat schrijvers, schilders en ander artiestenvolk met hun oeuvre een iets langer blijvende voetstap in de memorie hebben gezet lijkt mij echter wél een redelijke verwachting. Ligt de lat der verwachting dan soms te hoog omdat wij alleen maar uit kunnen gaan van onze eigen algemene ontwikkeling, en is dat een probleem..?
Verontrustende flarden in de media die melden dat jongeren zich de Tweede Wereldoorlog nog slechts kunnen duiden als ‘..iets met de Joden en Hitler enzo..’ zou men met een korrel zout kunnen nemen. Reeds in 1985 signaleerde een oud verzetsstrijder al dergelijke ‘nonchalance’. “Ik heb moeten beslissen over leven en dood. Geen spijt, geen slapeloze nachten, maar waar ik wel eens van wakker lig, zijn de hakenkruisen op de muren van Amsterdam”.
Interessante parallellen in de tijd dus die vooral laten zien dat mensen graag, al dan niet moedwillig, vergeten en daarbij graag vooruit kijken. ‘Vervlogen tijden’ zijn nu de dag van gisteren, en dat is lastig wennen voor ouderen. Zijn mensen die alleen met nu-en-morgen bezig zijn daarmee oppervlakkig of juist toekomstgericht? Zijn ze onindenkbaar leeghoofdig of onvoorstelbaar progressief?
Vergankelijkheid, veranderlijkheid, vertwijfeling en vervreemding lijken arm in arm te gaan in het verloop van een mensenleven. De mens kent stadia die zijn perceptie onontkoombaar verandert of met de jaren, op z’n minst stevig verbuigt. Wijsheid komt met de jaren is daarmee in elk geval het meest bekrompen perspectief denkbaar als men daar zijn onwrikbaar, in beton gegoten ‘gelijk’ in leest.
Zo schreef de grote volksschrijver Gerard Reve, in zijn meest existentiële momenten van vertwijfeling, bijvoorbeeld (in ‘Op weg naar het einde): “ ..Moge zijn Ziel in vrede de Jongste Dag afwachten: nu ja, alles geestelijk natuurlijk, en hoogstens bij wijze van spreken, want of zulk evenement in de orde der waarschijnlijkheden ligt- hoe ouder ik word en hoe hartstochtelijker ik honger en dorst naar God’s Uiteindelijke Gerechtigheid, hoe onzinniger mij tevens elke concrete heilsverwachting voorkomt, en ook, hoe meer ik neig naar de overtuiging, dat de enige zekerheid die het leven ons biedt, die is van de dood”.
Zelfs een godvruchtig mens als Reve, die met lyrisch woordgebruik zijn eigen geloof voortdurend op de proef stelde, durfde al dergelijke intimiteit met ons te delen. Los nog van het glijmiddel der humor en ironie die de pijn moest verzachten voor zowel huidige als toekomstig ouder wordende generaties.
Cabaretier Freek de Jonge uitte zich ooit over zijn vervreemding van de realiteit: “Als ik een WAO’er op straat tegenkwam dacht ik: “Wat heerlijk dat die man door mijn vorstelijke bijdrage een menselijk bestaan kan leiden, in plaats van “Laat je nog eens herkeuren profiteur!”. Wrange humor, zeker voor wie het oeuvre van de Jonge kent (en dáarom leuk) maar tegelijk een herkenbaar soort verandering-van-perspectief die domweg bij het ouder worden lijkt te horen.
Na de boekhandel trof mij die middag de middenstand nogmaals tussen de ogen met een serieus moment van diepe zelfbevraging. Een biologische groente-afdeling bood mij vier frisse, Duitse appeltjes voor 3,53 en vier Peruaanse bananen voor 2,60. Onbegrijpelijke landbouwsubsidies maken die realiteit voor de leek zo nauwelijks vatbaar en doen de achterliggende, ongetwijfeld goede bedoelingen, zwaar geweld aan. Onverteerbaar geweld vooral, want weldenkenden hebben toch vooral het beste met de wereld en zichzelf voor. Tellen energiefactoren en milieuvoetstap bij het toekennen van dergelijke subsidies ineens niet meer mee dan?
Wie zich vervolgens in het duizelingwekkende oerwoud van regelgeving rond haalbaarheidsproposities, duurzaamheidsprestaties en milieudoelstellingen begeeft zal niet anders kunnen constateren dan dat vervreemding en verwijdering wellicht gewoon een elementair onderdeel van ‘the human condition’ zijn.