
Iraniërs geloven steeds minder in geweldloos verzet. Schaken tegen een gorilla van een regime heeft geen zin meer.
Lang geleden bracht ik een bezoek aan een bevriende Iraanse politiek filosoof in zijn nieuw thuishaven in Canada. Hij was er net een jaar, na een tijd van gevangenschap, werk- en reisverbod in Iran. Hij had wekenlang isolatiecel in de beruchte Evin-gevangenis van Teheran ondergaan, had een verklaring van spijt moeten tekenen en toegeven dat hij onbedoeld een pion was geworden van de zionistische entiteit (zoals Israël door het Iraanse regime wordt genoemd). Na een jaar of twee reisverbod was het toch gelukt om een uitnodiging voor een lezing aan een universiteit in India aan te grijpen om het land te verlaten. Omdat organisaties als Amnesty en Pen International melding hadden gedaan van zijn arrestatie kreeg hij dankzij de steun vanuit de academische wereld een gelegenheid om in Canada te gaan doceren en hiermee het regime van de Ayatollahs voorgoed te ontvluchten.
Deze politiek filosoof stond in Iran vooral bekend om het introduceren van vertalingen van het gedachtengoed rondom ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ en ‘geweldloos verzet’. De negentiende-eeuwse Amerikaanse denker Henry David Thoreau; de politieke doctrine en het leiderschap van Gandhi; “March on Washington for Jobs and Freedom” met hoogtepunt de ‘I have a dream’-speech van Martin Luther King; en de terugkeer van Mandela naar geweldloos verzet. Het waren gedachten en grote politieke gebeurtenissen die hij in boeken en artikelen, in interviews en lezingen, stelselmatig naar voren haalde voor een Iraans publiek. Zo poogde hij Iraniërs, de studentactivisten en andere jonge activisten in het bijzonder, te inspireren en uit te nodigen om niet in de val terecht te komen van het geweld van een genadeloos streng regime met geweld te willen beantwoorden, maar een cultuur van geweldloos verzet te cultiveren.
Deze nobele intellectuele poging was kennelijk al gevaarlijk genoeg in de ogen van het regime om hem gevangen te nemen en onder de meest barre omstandigheden onder druk te zetten en te dwingen tot een bekentenis en spijtbetuiging.
Bij onze wederontmoeting in Canada was hij nog altijd een uitgesproken voorstander van geweldloos verzet. Maar hij onderkende wel een groot dilemma waar hij niet voor zijn arrestatie bij stil had gestaan. Want ja, er gaat wel een premisse voor aan geweldloos verzet, en alle symbolische burgerlijke acties die daarbij horen zoals bij de zoutwandeling van Gandhi, of de Mars naar Washington van Martin Luther King en zijn kameraden.
Die premisse is dat de politieke machthebbers enigszins terughoudend zouden zijn met het grofmazig en brute overschrijden van morele en ethische normen aangaande omgang met eigen burgers. Deze zekere terughoudendheid heeft soms te maken met behoud van de eigen legitimiteit richting de eigen bevolking, dat het monopolie op geweld alleen samen kan gaan met een toch enigszins verantwoord omgang met het toepassen van geweld. Soms is het vooral om de angst voor de internationale druk, zoals economische sancties, politieke uitsluiting en in het ergste geval militaire inmenging van de andere staten.
Het is in deze terughoudendheid-premisse dat burgerlijke ongehoorzaamheid en geweldloos verzet ruimte vindt, de grenzen van tolerantie van protest opzoekt, en als het ware een schaakspel met de machthebbers aangaat.
“Maar hoe schaak je tegen een gorilla, die gelijk met de vuist op het bord slaat zodra de tegenspeler aan terrein wint?“. Het was de one million dollar question, moest ik toegeven. Ik had er geen antwoord op. Bij ons afscheid hoopten we er nog altijd op dat de Iraanse civil society en haar moedige burgers geweldloos het huidige regime tot radicale democratische hervorming en uiteindelijk richting een referendum over de staatsvorm zouden kunnen dwingen.
Het is vooralsnog ijdele hoop gebleken. Sinds onze laatste ontmoeting zo’n 14 jaar terug is ieder protest weer genadeloos neergeslagen, met de massaslachting van Iraanse burgers tijdens de protesten van de afgelopen weken als dieptepunt. De gorilla is niet zachtmoediger geworden sinds onze laatste ontmoeting, maar nog meer genadeloos.
Er is zijn hier in het westen, ook in Nederland, vele commentatoren die hoofdschuddend de roep van een deel van Iraanse diaspora, die ongetwijfeld een deel van de stemmen uit Iran echoën om militaire ingreep tegen de misdaden van het regime, afdoen als volstrekte dwaasheid. Ze zien de pleidooihouders van militaire inmenging in Iran als dwaze of bewuste fellow travellers van Israël, van Netanyahu en Trump. Pionnen van een nieuwe imperialistische Great Game van Amerika en zijn regionale bondgenoot Israël, om het regime van Iran die misschien als enige staat in de regio verzet biedt tegen de Israëlische en Amerikaanse hegemonie, om die redenen omver te werpen.
Dat is wel makkelijk praten vanuit de gezellige en veilige polder of elders in het welvarende en democratische westen. Dat in Iran al decennialang de burgers hun pleidooi voor menselijke waardigheid en rechtvaardigheid met het leven moeten bekopen lijkt niet relevant te zijn. Dat er honderden dochters en zonen van Iran binnen twee dagen (twee dagen!) afgeslacht zijn tijdens de laatste protesten interesseert deze commentatoren minder dan een discussie over de precieze aantallen doden. Ja, tussen 12.000 en 30.000 zit wel een groot verschil, maar dat het Iraanse regime voorbij iedere morele grens heeft gehandeld staat buiten kijf. Men hoefde niet het precieze aantal koppen te tellen om te concluderen dat de Killing Fields van de Rode Khmer een misdaad tegen de menselijkheid was.
Donald Trump behoort tot de minst moreel gedreven wereldleider van onze tijd wat mij betreft. Ik zie dan ook met pijn in de ogen hoe mijn mede-Iraniërs in het westen uit wanhoop hun hoop op deze zilverruggen hebben gevestigd, om de inheemse gorilla die ons Iran teistert te bestrijden.
Er gaan vele emoties door de Iraanse diaspora deze dagen, het machteloze gevoel van op afstand de dierbaren en landgenoten afgeslacht zien worden roept veel frustraties op. De woede ten goede kanaliseren is een enorme opgave en lukt bij lange na niet. Tot overmaat van ramp zie ik een deel van Iraanse diaspora niet alleen pragmatisch op bondgenootschap van Trump hopen – al is dat ook al zeer bedenkelijk - maar ook de retoriek en politieke stijl van deze populist met zijn fascistische neigingen.
Trumpisme op zijn Iraans, ‘make Iran great again’ begint in bepaalde kringen van de Iraanse diaspora terrein te winnen en gaat gepaard met een soort verafgoding van het tegenwoordig meest genoemde kopstuk binnen de oppositie, de zoon van de voormalige Sjah Reza Pahlavi. Al benadrukt Pahlavi zelf dat hij vooral politieke leiding wil geven aan een democratische transitie en niet een alleenheerser wil zijn.
Even zorgelijk is dat door de terechte woede tegen het Islamo-fascisme van dit regime in Iran een deel van de diaspora in het kamp van blinde islamofobie beland. Als de Iraanse diaspora (veelal oud-asielzoekers) in figuren als Geert Wilders, Nigel Farage en Tommy Robinson zijn bondgenoten gaat zoeken, dan is men de weg behoorlijk kwijt.
Het is oppassen geblazen dat we niet vanuit een terechte diepe afkeer van het huidige Islamo-fascisme, het Trumpisme en neofascisme gaan omarmen. Door een toenemend gevoel van onmacht, verdriet en frustratie wint simplificatie van politiek terrein onder een deel van mijn Iraanse broeders en zuster in de diaspora, moet ik helaas constateren.
Maar wat ik ook zie is dat de terechte afkeer van vele progressieve commentatoren in het westen jegens de fascistische politieke stijl van Trump en de misdaden van Netanyahu tegen de Palestijnen, ertoe leidt dat zij de ogen sluiten voor de ernst van de misdaden van het Iraanse regime, enkel omdat dit regime een tegenstander van Trump en Netanyahu is. Zinde blind zijn zij vanuit goede maar vrijblijvende bedoelingen. Helaas.
Het geweldloos verzet als strategie, ben ik bang, nadert in Iran - na decennialange en na vele nobele poging van haar helden - haar einde. Het geloof daarin wankelt op zijn zachtst gezegd. Dat kunnen we Iraniërs na de recente afslachting van protesterende burgers niet kwalijk nemen.
Ook het feit dat hun oog vooral op militaire inmenging van Amerika gericht is moet ons niet verbazen. Want laten we eerlijk zijn, acties zoals die van deze week vanuit Europa om de Iraanse Revolutionaire Garde op de terreurlijst te zetten, gaat de gorilla’s daar bij een volgende demonstratie niet dwingen tot respectvol gedrag jegens de protesterende burgers. Het Iraanse regime heeft al 47 jaar ervaring met sancties en dergelijke maatregelen tegen een deel of het geheel van de staat. Ze hebben het vooralsnog eenvoudig overleefd.
Ja, ik kan me voorstellen – en meer, ik hoor het ook terug in sommige van mijn gesprekken met Iran - dat men inmiddels ernaar verlangt dat iemand voor de onschuldige Iraanse burgers opstaat en hard tegen dit misdaad van het regime terugslaat.
Er zijn, vrees ik, genoeg Iraniërs die heden ten dage naar de ijzeren vuist van Trump en zijn bondgenoot Netanyahu verlangen. Dat is gokken op erg foute bondgenoten, maar ik geef ze geen ongelijk na het bloedbad van de afgelopen weken. Iraniërs verlangen naar een harde straf voor een genadeloze dader, het regime.
Ik zag de bevriende politiek filosoof deze week in reactie op de recente burgerlijke slachting in Iran schrijven dat Trump zich moest houden aan zijn belofte om de protesterende Iraanse burgers te hulp te schieten – al is hij al veel te laat om die belofte na te komen. Trump moest toeslaan nu dat Iraanse regime tegen zijn dreigingen in een massamoord onder de protesterende burgers heeft verricht.
De Iraanse theoreticus en ontwerper van de routekaart naar geweldloos verzet in Iran moet eraan geloven: de kaart is niet het gebied.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.