
Bij De Kanttekening uit Mehmet Cerit in een hoofdredactioneel commentaar zijn teleurstelling over het regeerakkoord. Dit omdat het akkoord niet expliciet naar moslimdiscriminatie verwijst. Bij het verkiezingsprogramma van D66 Amsterdam, voor de komende gemeenteraadsverkiezingen, heb ik een expliciete verwijzing hiernaar geblokkeerd. Hoewel dat natuurlijk niets zegt over het regeerakkoord, kunnen de motieven hierachter wel aanvullende context bieden.
In het concept-verkiezingsprogramma van D66 Amsterdam stond het voorstel om een fulltime politie-eenheid in te richten die zich bezighoudt met “lhbtiq+-discriminatie, antisemitisme, anti-zwart racisme of moslimdiscriminatie.” Met mijn amendement heb ik dit laten wijzigen naar “ter bestrijding van discriminatie komt er een fulltime operationele politie-eenheid ingericht die discriminatie met voorrang oppakt.”
Daar had ik meerdere redenen voor. De primaire reden is principieel. Discriminatie is discriminatie. Alle aangiften van discriminatie moet de politie kunnen behandelen. Het gaat daarom niet om welke groepen wel genoemd worden, maar om de groepen die niet genoemd worden. Waarom zouden we dan niet expliciet leeftijd of beperking opnemen? Iedereen heeft recht op bescherming door de brute laars van de staat. Het noemen van specifieke groepen wel, en andere groepen niet, suggereert dat er verschil in prioriteit zou zijn in het oppakken hiervan. Als die politie-eenheid niet alle aangiften kan oppakken, dan moet de capaciteit simpelweg worden opgeschaald. Een onderscheid in verschillende groepen is hierin onacceptabel.
Het concept “moslimdiscriminatie” zelf is echter ook problematisch. Waarom? Simpel: het bestaat niet. Dat betekent niet dat moslims nooit slachtoffer van discriminatie zijn. Het betekent dat deze discriminatie als structureel maatschappelijk fenomeen niet bestaat, althans niet in de vorm zoals dat nu wordt gepresenteerd.
Bij moslimdiscriminatie worden vaak voorbeelden genoemd als het niet mogen dragen van een hoofddoek of baard, het verbod op gezichtsbedekkende kleding, of de afwezigheid van gebedsruimtes. Zelfs als dat daadwerkelijk discriminatie zou zijn, dan raakt dit niet alle moslims. Het raakt alleen de moslims die de islam interpreteren op een manier die deze handelingen verplicht stelt. Het is dus conceptueel onzorgvuldig en intellectueel oneerlijk om te suggereren dat dit alle moslims zou raken. Dat is even absurd als het processieverbod “christendisriminatie” noemen, terwijl het in werkelijkheid specifiek katholieken discrimineerde.
Er zijn ook “harde” vormen van discriminatie en geweld tegen moslims, bijvoorbeeld het bekladden of vandaliseren van een moskee. We hoeven geen discussie te voeren of dat hard aangepakt moet worden. Er zijn echter geen aanwijzingen dat dit een structureel maatschappelijk ontwrichtende werking zou hebben. Sterker nog, er zijn in Nederland meer moslims gedood vanuit discriminerende motieven door andere moslims, of die motieven nu religieus of cultureel zijn, dan vanuit anti-islamitische motieven. Wanneer een meisje wordt geëxecuteerd omdat een meisje geen vriendje hoort te hebben, dan is dat ook een vorm van discriminatie. De meeste slachtoffers van eergerelateerd geweld, zijn moslims.
Beiden moeten natuurlijk aangepakt worden. Die aanpakt vereist wel een heldere conceptuele lens. Het concept “moslimdiscriminatie” is dat niet. Het wetenschappelijk onderzoek dat het fenomeen moslimdiscriminatie zou moeten onderbouwen is vaak anekdotisch, onzorgvuldig, en soms zelfs gefabriceerd. Onlangs presenteerde het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) een onderzoek waarin zij op basis van 57 interviews stelde dat alle moslims dagelijks gediscrimineerd zouden worden. In een ander onderzoek kwam KIS op basis van elf interviews met hun vrienden en kennissen tot de conclusie dat de islam samengaat met de universele rechten van de mens. De polemist in mij noemt dat geeneens wetenschap meer: het zijn veredelde opiniestukken.
Het Nationaal Onderzoek Moslimdiscriminatie (2025) vermeldt de anekdote van een respondent, die voor haar collega’s een etentje organiseerde. De collega’s waren er vervolgens verontwaardigd over dat er geen alcohol werd geschonken. Wrijving op de werkvloer kan vervelend zijn, maar zo’n anekdote hoort natuurlijk niet thuis in een onderzoek over discriminatie. Het meten van incidenten bij moskeeën is ook een onzorgvuldige indicator: een boze brief over de Koran is natuurlijk volstrekt iets anders dan een molotovcocktail.
Ten slotte is er een ideologisch argument. Ik pleit voor een strikt seculiere samenleving waarin religie geen enkele rol speelt in de publieke sfeer. Iedere burger heeft het recht om zich uitsluitend tot de overheid te verhouden, niet gekleurd door enige religieuze invloed. De afwezigheid van een gebedsruimte op een school of andere overheidsinstelling is daarom geen discriminatie: het is waarborgen dat iedereen daar een individu kan en mag zijn. Overigens vindt er in sommige islamitische gebedsruimtes zelf discriminatie plaats; de vrouwen mogen niet naar binnen als de mannen er zijn en vice-versa.
Feitelijke discriminatie, zoals fysiek geweld tegen mensen omdat ze toevallig moslim zijn, moet keihard aangepakt worden. De brute laars van de Nederlandse Staat moet dit genadeloos uitroeien, en duidelijk maken als je een individu geweld aandoet omdat dit individu diens rechtmatige vrijheid beleeft, deze brute laars dit dan zal wreken. Dit realiseren we niet door intellectuele fata morgana’s of pseudowetenschappelijk gekonkel. Mijn amendement werd zonder behandeling aangenomen door de algemene vergadering. Dat is winst voor ons allemaal.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.