
Het heeft even geduurd, maar afgelopen zaterdag is het er dankzij de standvastigheid van mijn wederhelft van gekomen: een bezoek aan Fenix in Rotterdam, het nieuwe museale baken gewijd aan migratie. Ik wist van het bestaan van dit initiatief, maar iets hield mij tegen om te gaan. Als je vanaf je negentiende — toen ik mijn geboorteland Iran moest ontvluchten — de ervaring van een levenslange diaspora met je meedraagt, zoek je soms bescherming tegen de herinnering. Je wilt jezelf vrijwaren van de ontwrichting van een odyssee. Anders dan in de klassieke sage van Homerus of de Hollywood-verfilmingen daarvan, gaat de reis van de migrant niet over een terugkeer naar het vertrouwde Ithaka, maar over een zoektocht naar een nieuw thuis dat pas kan ontstaan zodra je een veilige haven bereikt.
Dat ik het bezoek aan Fenix voor me uit schoof, had ook te maken met het maatschappelijk klimaat waarin we leven, waarin de nieuwkomer al decennialang tot object is gemaakt van politieke angsthandelaars. Ik kwam hieraan in 1988. Vanaf de vroege jaren negentig was het anti-immigratieretoriek wat de klok sloeg en is het politiseren van asielzoekers helaas gemeengoed geworden in ons politieke landschap. Wat ontbreekt is een inventieve, zinnige en menselijke visie die verder kijkt dan populistisch gewin. De aanhoudende opvangcrisis is het directe gevolg van die hardnekkige ontkenning: de ontkenning dat globalisering niet alleen draait om winst voor het bedrijfsleven en het hele jaar door verse mango's op het menu, maar dat de beweging van menselijke migratie er onlosmakelijk bij hoort.
Ik had dus weinig behoefte aan nóg een confrontatie met een gepolitiseerd thema dat mij persoonlijk raakt. Gelukkig heb ik aan mijn zijde een partner die zelf ook cultuurmaker is. Zij houdt zich in het dagelijks leven minder bezig met geabstraheerd tekentafelbeleid, maar helpt kinderen die nieuw zijn in Nederland om hun weg en taal te vinden binnen het onderwijs. In haar klas zitten vluchtelingenkinderen, migrantenkinderen en expatkinderen. Het is veelzeggend hoe de lading in ons debat verandert afhankelijk van welk etiket we een kind opplakken. Vanuit haar eigen sensitiviteit en getrainde oog voor het museale, de compositie en de gelaagdheid van een collectie, verleidde zij mij om mee te gaan. Ik heb geen seconde spijt gehad.
Wat een adembenemend museum. Bij het binnentreden voel je direct dat het ruimtelijke, genereuze gebouw in alles contrasteert met de benauwde blik van onze politici en beleidsmakers. Waar je bij het beluisteren van het politieke debat de adem inkeert, kun je hier op adem komen en het grotere plaatje aanschouwen.
Het publiek dat op Fenix afkomt is van een wonderbaarlijke diversiteit; menig gevestigd museum kan er jaloers op zijn. Jong, oud en met uiteenlopende achtergronden. En juist daarin schuilt het contrast: wat in de Tweede Kamer of aan de tekentafel van technocraten stelselmatig mislukt, gebeurt hier vanzelfsprekend. Migratie wordt benaderd met egards en respect, als een integraal onderdeel van onze gedeelde menselijke geschiedenis.
De tentoonstellingsopbouw beweegt subtiel tussen tragedie en komedie, tussen schaduw en licht. Er wordt niets vergoelijkt over de verzetssituaties, de maatschappelijke confrontatie of de diepe pijn die met migratie gepaard gaat, maar er is steeds oog voor het sublieme en esthetische van het migratieverhaal. Initiatiefnemer Wim Pijbes, directeur Anne Kremers en Stichting Droom en Daad hebben een meesterstuk verricht door ruimte te bieden aan een kunstzinnige benadering van dit gehavende thema.
De ondraaglijke werkelijkheid dat de Middellandse Zee de afgelopen decennia is veranderd in een graftombe van verlangen, wordt voelbaar gemaakt door de aanwezigheid van een echt houten vluchtelingenbootje uit Lampedusa, opgesteld in de grote zaal. Dit soort bootjes wordt door autoriteiten vaak in beslag genomen op een 'botenkerkhof', uit angst dat ze opnieuw gebruikt worden. Zo bezit ons welvarende continent zijn eigen verzameling schipbreuken.
Vlak daarnaast hangt The Boat, een schilderij van de Syrische kunstenaar Abdalla Al Omari. Hij verbeeldt wereldleiders die dicht op elkaar gepropt zitten in een vergelijkbaar armzalig bootje. Ze kijken ons met een doffe blik aan — de een op de schoot van de ander — alsof ze willen zeggen: we zitten inderdaad in hetzelfde schuitje, maar we hebben geen idee welke koers we moeten varen. Het is een hilarisch en ontluisterend beeld dat alles zegt over het onvermogen van de hedendaagse macht. Bij het benaderen van de boot uit Lampedusa moest ik slikken: ook mijn reis begon immers ooit met gevaar voor eigen leven, niet over zeeën, maar door woestijnen en gebergten. Het doek met de onthutste wereldleiders ontlokte mij daarentegen een bevrijdende schaterlach.
Die dubbele ervaring van confrontatie en kritische humor trof me ook bij de monumentale installatie van de Italiaanse architect Vincenzo De Cotiis: een kronkelende muur die aan de ene zijde uit kil beton bestaat en aan de andere zijde uit een vervormende spiegel. Het kille beton verwoordt de afstandelijke receptie van de migrant in het huidige Westen. Politici behalen verkiezingsoverwinningen met de belofte van beton en grenzen.
Maar het kunstwerk wordt pas echt speels en confronterend aan de spiegelzijde. Wie in de glanzende spiegel kijkt, ziet een misvormd beeld van zichzelf. Het is een treffend mechanisme: wie zich insluit tegen de Ander en zich afsluit voor de wereld, verliest zijn realiteitszin en het zicht op wie hij zelf is. Zie daar de toenemende vervreemding en onbestemdheid in ons eigen rijke Westen. Hoe meer we onze maatschappelijke onvrede projecteren op de aanwezigheid van de nieuwkomer, hoe benauwder we onszelf opsluiten en hoe sneller we ten prooi vallen aan grimmige krachten.
Wat me van Fenix het meest bijblijft, is de manier waarop het bitterzoete karakter van de migratiegeschiedenis esthetisch vorm krijgt. Neem het werk van de Zuid-Afrikaans-Indiase kunstenaar Zenaéca Singh: 25 Days. Zeven scheepsmodellen, vervaardigd met referenties aan suiker, gepresenteerd op een gelaagde etagère zoals bij een Britse high tea. Het is een gelaagd eerbetoon aan de Indiase contractarbeiders die een reis van 25 dagen over zee moesten maken om na de afschaffing van de slavernij het zware werk op de plantages over te nemen.
Net zo indringend is het doek The Mexican van de Cubaans-Amerikaanse kunstenaar Armando Mariño. Het toont een gezichtloze man in een alledaagse jeans en baseball cap, tot aan zijn enkels wegzakkend in de modder van een moeras — een verbeelding van de gevaarlijke grensoversteek. Het landschap heeft iets onheilspellends, als een monster dat op het punt staat de reiziger te verslinden. Maar hij wordt beschermd door een deken die licht uitstraalt: felgeel en gesierd met takken vol witte bloesems. De man is omhuld door de zegening van de hoop.
Op het vluchtelingenbootje uit Lampedusa hadden de opvarenden bij aankomst een boodschap achtergelaten in graffiti: Mā shā' Allāh (ما شاء الله) — 'Wat God heeft gewild'. In een maatschappijklimaat waarin angst voor de islam en islamofobie zo diep geworteld zijn geraakt in politiek en publiek debat, zouden velen dit gehaast interpreteren als het symbool van een dreigende of 'vijandige overname'. Maar wie de cultuur kent, weet dat deze islamitische frase simpelweg staat voor de ultieme ontlading, vreugde en diepe dankbaarheid (voor het behouden van het leven).
Toen ik het gebouw van Fenix weer uit stapte en de Rotterdamse buitenlucht in ademde, was het eerste dat in mij opkwam precies diezelfde hartenkreet: Mā shā' Allāh.