
Geert Gabriëls
Op een zonovergoten zaterdag rijdt mijn trein Weert binnen. Op het stationsplein word ik begroet door een standbeeld van een vrouw met een vlaai in haar handen. De Maas is hier nergens te zien. Op het eerste gezicht lijkt dit de verkeerde plek voor een verhaal over de vervuiling van de Maas.
En toch is dat precies waarom ik hier vandaag ben.
Geert Gabriëls, geboren en getogen in Weert, wacht me op. Als oud-wethouder, Limburger en Tweede Kamerlid stond hij in Den Haag meerdere malen op voor de belangen van de Maas.
Na een stuk rabarbervlaai neemt hij me mee in zijn elektrische auto. ‘Stap in, we gaan de Zuid-Willemsvaart afrijden,’ zegt hij vol enthousiasme.
Vandaag volgen we de onzichtbare route die met PFAS vervuild afvalwater zou afleggen: vanuit de diepte van het riool in Weert, via de Zuid-Willemsvaart naar een kanalenviersprong bij Nederweert die Weert verbindt met de Maas, België en Brabant.
Dit verhaal gaat over een ontwerpvergunning die ruimte zou bieden voor een jaarlijkse PFAS-lozing van ruim vijf kilo. Wat op papier alleen een Weerts dossier was, maakt duidelijk hoe water echt werkt. Water luistert niet naar bestuurlijke hokjes. Het stroomt, mengt zich, passeert grenzen en wordt onderdeel van hetzelfde ecosysteem waarvan miljoenen mensen, dieren en planten afhankelijk zijn.
Na een paar minuten rijden komen we aan bij de hoge hekken van Chemisch Fysisch Scheiden BV, kortweg CFS, de afvalverwerker die de vergunning heeft aangevraagd. Op deze zaterdag is er weinig bedrijvigheid. Geen vrachtwagens, geen rokende schoorstenen. Wel vogelgezang en naast het bedrijfslogo een verbleekte banner met een foto van een bos. Tussen de bomen staat in grote letters: waste no more.
‘Een wereld waarin al het afval volledig circulair wordt en afval niet meer bestaat.’ Dat is het aantrekkelijke doel van Renewi, het moederbedrijf van CFS.
Maar juist bij PFAS wordt dat ingewikkeld. PFAS breekt nauwelijks af. Is het eenmaal in het milieu terechtgekomen, dan blijft het daar zeer lang.
Het is makkelijk om CFS als de boosdoener neer te zetten. Zij vroegen immers de vergunning aan. Maar CFS is ook de spil in een vuil werkje dat we als samenleving liever niet zien: het verwerken van complex industrieel afvalwater.
Kwafie Jansen, Chief Operations Officer bij Renewi, benadrukt die rolverdeling als ik haar spreek. ‘Wij produceren geen PFAS. Wij zijn de verwerker, niet de maker.’
Wanneer ik haar vraag naar haar visie op PFAS, verrast haar antwoord me.
‘PFAS is verschrikkelijk,’ zegt Jansen onomwonden. ‘Het verdwijnt niet uit het milieu. Dat is een grote zorg, ook voor de wereld na ons.’
En meteen daarna legt ze de complexiteit van het dossier bloot: ‘Als wíj het niet innemen en zo goed mogelijk proberen te zuiveren als professionele afvalverwerker… wie doet het dan? Wat gebeurt er dan mee?’
Daarmee gaat dit verhaal voor mij niet alleen over CFS. Het gaat om het systeem dat zo’n aanvraag mogelijk maakt.
Als Gabriëls en ik stroomafwaarts rijden naar de rioolwaterzuivering van Weert, wordt zichtbaar hoeveel instanties met hetzelfde water te maken krijgen. De Inspectie Leefomgeving en Transport kijkt naar juridische en technische normen. Het waterschap naar de rioolwaterzuivering. Drinkwaterbedrijven naar hun drinkwaterbron. De gemeente naar de leefomgeving. De provincie naar de vergunning.
Opvallend genoeg herkent CFS die versnippering zelf.
‘Uiteindelijk moet je het samen doen,’ zegt Jansen. ‘Water is een samenhangend systeem en het einddoel is om water voor de toekomst te beschermen.’
Daarmee zegt CFS misschien onbedoeld precies waar het probleem zit.
Iedereen kijkt vanuit zijn eigen rol naar hetzelfde water. Water verbindt al die verantwoordelijkheden, maar heeft zelf geen stem.
Dat wordt nog duidelijker wanneer je kijkt naar de verschillende talen die in dit dossier worden gebruikt. Voor bewoners is de redenering eenvoudig: als PFAS nauwelijks afbreekt, voorkom dan dat het überhaupt in het water terechtkomt. Voor CFS is de resterende PFAS een technisch probleem binnen een afvalstroom die ergens verwerkt moet worden. En voor de provincie draait het om het wettelijke toetsingskader: voldoet de aanvraag aan de regels?
Alle drie deze perspectieven zijn begrijpelijk.
Maar geen daarvan begint met de vraag: wat heeft een rivier als levend ecosysteem nodig?
De vergunning bleef dan ook niet onopgemerkt. Bewoners en maatschappelijke organisaties kwamen in actie. Via De Goede Zaak riepen 1.865 bezorgde burgers op om geen nieuwe PFAS-lozingen toe te staan. Drinkwaterbedrijven, het waterschap, de gemeente en inspecties uiten bezwaren. Gabriëls stelde Kamervragen en bracht het dossier daarmee naar Den Haag. Een vergunning die een provinciale procedure had kunnen blijven, groeide uit tot een landelijke discussie over de vraag hoeveel PFAS we nog in ons water willen toelaten.
Uiteindelijk trok CFS de aanvraag voorlopig in. Het bedrijf kondigde extra filters aan. De provincie verwacht dat na nieuw milieuonderzoek een nieuwe aanvraag volgt.
Daarmee is het verhaal niet voorbij.
De aanvraag werd dus tegengehouden doordat bewoners, drinkwaterbedrijven, het waterschap, de gemeente, inspecties en politici allemaal aan de bel trokken. Maar geen van hen sprak namens het belang van de gehele rivier zelf: de vissen, het slib, de oevers, de insecten, de rivierbodem en al het leven stroomafwaarts.
Aan het einde van ons gesprek leg ik Jansen daarom een vraag voor. Wat als de Maas in zo’n vergunningprocedure ook een eigen stem had? Een vertegenwoordiger die niet alleen vraagt wat juridisch nog mag, maar ook wat het watersysteem als geheel nodig heeft? Moet de bescherming van een rivier ervan afhangen of toevallig genoeg burgers, bedrijven, bestuurders en politici op tijd aan de bel trekken?
Jansen wijst het idee niet weg.
‘Ik vind het een mooie beschouwing,’ zegt ze. ‘Juridisch gezien kan het kader kloppen, maar je wilt kijken naar het hele watersysteem met de hele keten.’
Dat is precies wat Weert laat zien. Waterbeleid beoordeelt vervuiling per bedrijf, per stof, per norm en per vergunning, terwijl het water uiteindelijk de optelsom van al die vervuilingen ontvangt.
Wanneer Gabriëls en ik terug langs de Zuid-Willemsvaart rijden, varen er nog steeds bootjes over het water. Op de kade viert Weert het kanaal dat de stad met de wereld verbond.
Die verbinding werkt alleen wel twee kanten op.