
Een goede interviewer verrast zowel geïnterviewde als het publiek. Vervolgens dient zich op de vleugels van die verwachting een tweegesprek te ontspinnen dat oneindig zou mogen duren. Wat is er immers interessanter dan de medemens?
Adriaan van Dis, Theo van Gogh. Jan Lenferink en Ischa Meijer staan nog altijd eenzaam aan de top. Terwijl voor geen van hen, voor zover dat mogelijk was, ‘interviewen’ het ware metier was.Van Dis (schrijver, redacteur), Van Gogh (regisseur, schrijver), Lenferink (journalist) en Meijer (schrijver, performer, journalist, miskend artiest).
Toch liet hun persoonlijkheid een interviewer zien die een geheel eigen pad koos. Wars van journalistieke wetten en vormen ontvouwden zich gesprekken waarin de ondervraagde geen moment veilig achterover kon hangen. Een goede interviewer wordt dan ook eerder gevreesd dan geprezen.
Dat Sonja Barend ooit werd gevreesd (en zéér goed bekeken) is blijkbaar reden genoeg een journalistieke prijs naar haar te vernoemen. Interviewen kon zij namelijk helemaal niet. Haar one-woman-talkshows behaalden vooral die stevige kijkdichtheid door de controverse die rond haar gasten hing. Barend mocht in al dat tumult vooral het verkeer regelen.
Sven Kockelmann was de gelukkige vakbroeder die de achttiende Sonja Barend Award won en daar is de onuitstaanbare, parvenu beretrots op. Kockelmann is namelijk ook niet zo’n beste interviewer en vooral dol op zijn spiegelbeeld dat hij, via zijn gasten, graag en vergenoegd aankijkt.
In de onsterfelijke woorden van de betreurde Joost Zwagerman: “Zelfgenoegzaamheid zal nooit meer hetzelfde betekenen” (is het u overigens opgevallen dat Kockelmann zowel uiterlijk als in taalgebruik steeds meer op Bram Moszkowicz begint te lijken?)
Kers op de taart was dat Kockelmann de prijs kreeg uitgereikt door de winnaar van vorig jaar; Coen Verbraak die de naam heeft van ‘een van de spraakmakendste interviewers van Nederland’. Waarom, begrijpt wederom niemand.
Zijn vraagstelling is vooral lui, of wellicht moet men zeggen ‘traditioneel’. Zijn onderwerp geeft een antwoord en direct is het“Waarom?” en alleen maar af en toe een steekhoudende vraag stellen is dan niet genoeg.
“Geef dan eens een voorbeeld van”, of “Kun je daar een voorbeeld van geven?”. Ver-schrik-ke-lijke doodzondes op interviewgebied waarin Verbraak grossiert.”Je zegt……Kun je daar wat meer over zeggen?”. Ergerlijke kleinedorpsschoolmeesterpedagogiek van de onderste plank. Freek de Jonge beschreef dergelijks al eens als een ‘egowet’: “Doet de bal het halve werk, staat de speler dubbel sterk!”. Eigenlijk lijkt Verbraak maar één vraag te willen stellen waarna de gast in een fijne monoloog geheel leegloopt.
Geïnterviewde zou natuurlijk moeten zeggen: “Nee mijnheer Verbraak, daar geef ik geen voorbeeld van anders had ik dat wel direct gedaan, en ik kan er om dezelfde reden ook niet meer over zeggen want anders herhaal ik mijzelf en maak mij net zo belachelijk als u. Misschien is het zinvol in de toekomst meer gerichte vragen te stellen als u aan mijn eerste antwoord niet genoeg had”. (Wellicht geven zijn gasten wel degelijk dergelijk tegengas maar dat is er in de t.v. en kranten-interviews dan in elk geval enthousiast uitgeknipt).
“Stel je jezelf wel eens de vraag..?”. Het slachtoffer geeft antwoord en onvermijdelijk volgt; “En wat is het antwoord op die vraag?”.
Er zijn ongetwijfeld rechercheurs die op nog vervelender wijze dezelfde vraag drie keer op een andere wijze kunnen formuleren maar die hebben daar dan ook een bedoeling mee.
Als je je echter alleen maar laat voeren door je onderwerp, waar blijft dan je eigen creativiteit? Juist het inslaan van zijpaden of het verzeilen in terzijdes maken het betere (vraag-)gesprek. Verbraak denkt graag lineair en kabbelebabbelt voorspelbaar voort.
Ook het onuitstaanbare “Want?” als kaatsebal-antwoord ligt hem in de mond bestorven. De huisarts die ons vraagt “Wat we zelf denken dat het is?”. Want wat..?! Moet de geïnterviewde zijn eigen vraag of vertwijfeling beantwoorden? Het is van een gemakzuchtig schoolkrantniveau waarb de kijker alleen maar een gepijnigde wenkbrauw bij kan optrekken. Plaatsvervangend overigens, want de onwennigheid slaat probleemloos over op de kijker/lezer.
Er klinkt in Verbraaks vragen geen zweempje van research of anderzijds eigen stem, die er uiteraard wel moet zijn anders zouden zijn werkgevers hem niet zo serieus nemen.
Het grootste bezwaar is dat voor ons, het publiek, op geen enkel moment blijkt hoe onderlegd, erudiet, geïnformeerd of geïnteresseerd Verbraak zelf feitelijk is. Of hij nu wetenschappers, schrijvers, politici of psychologen bevraagt, Coen Verbraak blijft Coen Verbraak. Deadpan, onbewogen en schijnbaar ongeëmotioneerd.
Buitenstaander binnen eigen gesprek.