
Wanneer de bel aan het einde van les vijf op luide toon van zich laat horen, kan de grote pauze beginnen. Dat betekent dat ik vanaf nu exact vijfentwintig minuten de tijd heb om online de volgende les klaar te zetten en offline de benodigde materialen te pakken die de volgende klas nodig heeft, het lokaal af te sluiten, naar de gang te lopen waar de toiletten en de docentenkamer zich bevinden, ondertussen enkele leerlingen en/of collega’s (kort) te spreken die ik in de wandelgangen tegenkom, twee broodjes met pindakaas en hagelslag te eten en me vervolgens te verheugen op de dubbele espresso met melk en twee zoetjes erin die ik mag maken in de docentenkamer. Sinds er een apparaat met daarin échte koffiebonen staat in plaats van poeder, kan ik daar enorm naar uitkijken.
De koffie smaakt prima en de cafeïne geeft een boost voor de komende uren. Meestal is broodje nummer twee nog niet volledig achter de kiezen en de bodem van de espresso nog niet helemaal in zicht als de bel weer gaat voor de volgende les. De effectieve netto-pauzetijd van even zitten, rustig eten, beetje kletsen met collega’s en op adem komen zal gemiddeld op zo’n tien-en-een-halve-minuut liggen. Met een beetje geluk.
De laatste happen van het net iets te kleffe broodje pindakaas wegwerkend loop ik terug naar het lokaal, met in de ene hand het kartonnen bekertje met daarin de laatste slok espresso en in de andere hand de sleutel van het lokaal. Ik begroet de leerlingen die al voor de deur staan te wachten.
“Hallo meneertje, wat gaan we doen vandaag?”
“Oh nee, bent u er al… Wanneer valt u eens uit?”
“Heeft u de vorige werken al nagekeken?”
“Heeft u nieuwe schoenen?”
“Klopt het dat u een burn-out heeft…?”
Als docent beeldende vorming ben ik inmiddels vijfentwintig jaar werkzaam op dezelfde school voor voortgezet onderwijs, tevens ook de school waar ik zelf in de vroege jaren negentig mijn diploma behaalde. Vanaf het nieuwe jaar tot aan de zomervakantie liep ik destijds mijn LIO-stage op deze school. Dit betekent dat je als vierdejaars student aan de lerarenopleiding een half jaar, onder begeleiding van een vakdocent, zelf lessen moet geven aan leerlingen van de onderbouw op alle niveaus.
Op 5 maart 2001 werd ik door de toenmalige rectrix uit de klas geplukt. Of ik even tijd had. Ik had zojuist de verfpaletten uitgedeeld aan de brugklasleerlingen die ik op dat moment begeleidde. Ze hadden in de weken daarvoor van alles over de kleurencirkel geleerd en nu was het zaak om deze opgedane kennis in de praktijk toe te gaan passen. Op een groot kartonnen vel hadden ze eerst een schets gemaakt van een schilderij van Picasso. Daarna moesten ze deze tekening gaan inschilderen in de primaire, secundaire en tertiaire kleuren. Met de handen vol verf en het verfschort nog om mijn lijf geknoopt, mocht ik plaatsnemen in de kamer van de rectrix. Haar vraag was of ik tien lessen wilde gaan geven, ter vervanging, voor onbepaalde tijd.
Op 5 maart van dit jaar leerde een rekensom mij dat ik in die afgelopen periode van vijfentwintig jaar exact duizend lesweken had gedraaid, driehonderd vakantieweken had gehad (jaja, ‘leraren hebben meer vakantie dan mensen die werken’, het was ooit een hilarische en serieus bedoelde uitspraak van een brugklasleerling!), 429 verschillende klassen had mogen verwelkomen, duizenden leerlingen mocht begeleiden en nog véél meer werkstukken door deze jaren heen heb mogen bewonderen en beoordelen.
Dat alles resulteerde in het trakteren van mijn collega’s op gebak, een cadeau in de vorm van een etentje met de vakcollega’s, kaarten, nieuwe kunstsokken, veel online duimpjes en hartjes, een bonus bovenop mijn vaste salaris van die maand en een dag vrij. Mij op dat moment nog niet realiserende dat ik een paar weken later maandenlang thuis zou zitten met een burn-out.
Het was op een van de laatste dagen van maart toen na les vijf, net als op elke andere dag, de bel ging en de grote pauze van start ging. Nadat ik alles had afgerond van de vorige klas sloot ik het lokaal af om mijn geroutineerde route door de wandelgangen van school richting het toilet te maken en vervolgens uit te kijken naar mijn lunch en de welverdiende dubbele espresso met melk en twee zoetjes erin. Het was een hectisch dagje tot zover geweest, met, laat ik zeggen, dynamische lessen en een aantal problemen met leerlingen onderling die opgelost moesten worden.
Een en ander had ervoor gezorgd dat de spreekwoordelijke emmer inmiddels tot aan de rand gevuld was. Het was duidelijk dat iemand de metaforisch druppelende kraan moest dichtdraaien. Ik weigerde vooralsnog diegene te zijn die deze ogenschijnlijk simpele taak op zich zou gaan nemen, waardoor de kraan bleef doordruppelen. Ook vandaag was het namelijk ‘gewoon’ weer een kwestie van aanpakken, doorpakken en niet bij de pakken neerzitten geweest. Net zoals zo vaak het geval was de laatste tijd.
Onderweg kwam ik bij toeval mijn teamleidster tegen in de wandelgang. “Hey Pascal, hoe gaat het nu met je?”, vroeg ze oprecht geïnteresseerd en zich wellicht achter de schermen al enige tijd zorgen makend. Terwijl ik vlak daarvoor alvast een hap van mijn broodje pindakaas had genomen moest ik even nadenken over deze vraag die me duidelijk op dat moment op die plek overviel.
Terwijl ik de hap van mijn broodje doorslikte en nog even een moment profiteerde van de genomen tijd om na te denken over mijn eerlijke antwoord, ging mijn telefoon. Het was de mevrouw van de receptie die aan mij vroeg of ik naar beneden wilde komen omdat er ouders zich hadden gemeld die me wilden spreken. Het waren de ouders van een leerling die problemen had op school met een paar andere leerlingen en dat moest blijkbaar nú, acuut, worden opgelost tijdens deze pauze. “Geen probleem, doe maar rustig aan”, zei mijn teamleidster toen ik haar in het kort uitlegde wat het geval was. “We maken een afspraak voor een gesprekje; hier op de gang is nu ook niet zo handig.” Met bonzend hart liep ik met de rest van mijn broodje richting de receptie. De emmer was zojuist overgelopen.
De dag erna stond het gesprek met mijn teamleidster al op de agenda, meteen na mijn laatste les. Ik meldde me op de afgesproken tijd op de afgesproken plek: een klein soort van spreekkamertje, zonder daglicht en een enkel raampje met gesloten Luxaflex erachter. Een touwtje nodigde ons uit om aan te trekken. Terwijl het licht aanflitste, voelde ik juist donkerte in mijn hoofd.
Stiekem wist ik wel waarom ik hier zat en wat de uitkomst van dit gesprek zou gaan worden. In een split-second moest ik denken aan een fragment uit het boek Wachten van psychiater en auteur Dirk de Wachter, dat ik in deze periode had gelezen. Hierin bevraagd hij zichzelf, min of meer op retorische wijze, hoe lang je in bepaalde situaties moet of kunt wachten, en of je, wanneer je een beslissing hebt genomen om over te gaan tot een bepaalde handeling, lang genoeg of juist níet lang genoeg hebt gewacht? Hiermee beschreef hij de rode draad van het boek en het feit dat wachten op het juiste moment een delicate aangelegenheid is, in heel veel dagelijkse bezigheden, klein en groot van aard.
Nadat we beiden hadden bevestigd dat dit kamertje niet ideaal was, maar in elk geval meer rust en tijd bood dan het moment van gisteren op de gang, vroeg ze me nu ook weer hoe het met me ging. Het antwoord bleef uit, ik wist niet waar te beginnen, de vraag was te groot. Ik kon onmogelijk een antwoord geven waaruit zou blijken dat het goed ging met me.
De afgelopen maanden had ik tussen de bedrijven door meermaals contact gehad met de cardioloog in het ziekenhuis. De aanhoudende hartklachten die ik sinds de zomervakantie had, met name in de vorm van heftige tempowisselingen, waren voor hem aanleiding geweest om alle onderzoeken die er bestaan op hartgebied in te zetten. Om zodoende uit te sluiten dat ik hartpatiënt zou blijken te zijn. Na maanden van onderzoeken en wachten kreeg ik het verlossende bericht dat mijn hart prima in orde was. Een hele geruststelling, uiteraard. En tevens meteen ook de bevestiging dat mijn klachten van andere aard waren, namelijk stress-gerelateerd.
Blijkbaar stond mijn sympathische zenuwstelsel - het systeem dat je lichaam voorbereidt op actie in de vorm van vechten of vluchten bij gevaar of stress - onbewust non-stop aan en was de balans met het parasympatische zenuwstelsel - dat zorgt voor rust, herstel en de opbouw van energie - ver te zoeken. Dat bleek: ik voelde geen rust meer, was het overzicht kwijt, voelde me op school te gast in mijn eigen lokaal en was elke dag moe. “Ik denk dat het voor jezelf goed is om eraan toe te geven dat je eens een tijdje helemaal afstand neemt van het werk”, sprak mijn teamleidster de woorden die ik vooraf dacht te kunnen verwachten, maar waar ik eigenlijk niet op zat te wachten. Struisvogels gedijen immers toch ook goed met hun kop in het zand? Dat blijkt dus een fabeltje te zijn.
Na het gesprek liepen we nog even naar de docentenkamer. In de lokalen waar we langs liepen werd lesgegeven, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Ik pakte nog een, voorlopig laatste, bekertje dubbele espresso met wat melk en twee zoetjes en nam nog even plaats op de bank naast het raam. Ik wist dat ik het genomen besluit voor lief moest gaan nemen, accepteren.
Daarna pakte ik mijn jas en tas en liep vervolgens op de automatische piloot, enigszins doel-, richting- en stuurloos, naar buiten. Ik moest vanaf nu mezelf opnieuw leren navigeren en de turbulentie uit het verleden, en die nog komen gaat, proberen te relativeren. Thuis aangekomen tikte ik nog een mail met een korte uitleg van mijn komende afwezigheid aan mijn vakcollega’s, de mentorleerlingen en hun ouders. Daarna kwam het niets.
In de Volkskrant las ik in deze periode van het zogenaamde ‘niets’ een artikel over de voor- en nadelen van alleen-zijn. Hierin wordt onder andere een onderzoek beschreven waarin naar voren komt dat mensen vaak geneigd zijn om het (moeten) nemen van tijd voor zichzelf te combineren met een schuldgevoel, waarin ze bleven denken aan alles dat nog moet gebeuren. Hierbij kan tijd die je voor jezelf neemt ook voelen als tijd die je van iemand afpakt. Volgens psycholoog en onderzoeker Thuyvy Nguyen hebben we dan ook vaak het idee dat we onze beschikbaarheid verschuldigd zijn aan de mensen om ons heen.
Om deze gedachten enigszins te tackelen kun je vervolgens proberen je ‘ervan bewust te zijn dat dit een sociale norm is en niet per se een weerspiegeling van wat anderen daadwerkelijk van je verwachten.’ Volgens Nguyen zullen mensen die gewend zijn om voortdurend met van alles bezig te zijn, niet vanzelfsprekend kunnen genieten van de tijd die ze voor zichzelf krijgen. Heel herkenbaar. Docenten hebben namelijk over het algemeen een hoge mate van verantwoordelijkheidsgevoel en loyaliteit.
Wat mij de eerste momenten van thuiszitten dan ook bezighield waren gedachten als ’ja, maar…’, ‘wat als…?’ en ‘wat nu…?’ Het gevoel om mezelf niet op de eerste plaats te zetten, maar de zaak, overheerste jarenlang. En wat deed ik nu? Nu zadelde ik mijn directe collega’s op met mijn lessen die uitvielen en waar acuut vervanging voor geregeld moest worden in de vorm van het geven van extra uren, indien gewenst en mogelijk. Zonder aankondiging was ik opeens, net over de helft van het schooljaar, niet meer de vakdocent van al mijn klassen die ik dit schooljaar onder mijn kunsthoede had. En wat te denken van de roostermakers, die opeens een heel nieuw rooster moesten optuigen voor al die klassen en betrokken docenten? Vragen die voor mij vanzelfsprekend(e valkuilen) waren, maar tegelijkertijd ook een van de oorzaken van mijn probleem bleken bloot te leggen.
Wat volgde waren de onvermijdelijke gesprekken met de bedrijfsarts en een psycholoog. Acceptatie van de situatie stond lange tijd bovenaan het plan van aanpak. Ik had mezelf immers altijd op het hart gedrukt dat ik zou waken voor een uitval van dit kaliber. Blijkbaar is dat een nobel streven, maar er blijkt ook uit dat je nooit alle controle op het ervaren van interne en externe stressfactoren kunt controleren en delegeren voor jezelf. Ook al ben je nog zó gestructureerd, volgzaam en ambitieus van aard.
Leren loslaten, bijvoorbeeld van een bepaalde mate van controle, en het ontwikkelen van een breed georiënteerde ‘fuck-it-mentaliteit’, in de goede zin van het woord, stonden tevens bovenaan de to-do-lijst voor de komende periode, hoe lang die ook zou gaan duren. Na een paar hobbelige eerste weken, met pieken en dalen van de energiebeleving, leek de persoonlijke zoektocht naar acceptatie ingezet te zijn.
Ik ontwikkelde een dagritme waarbij de afwisseling van activiteit en rust voor mij goed leek te werken. Verder ontdekte ik dat sporten, wandelen, lezen, schrijven, illustreren en in bepaalde mate het onderhouden van sociale contacten energiegevers bleken te zijn. Piekeren, geen plan(nen) hebben, te snel en te ver vooruit willen kijken en uitslapen, hoe vreemd dat laatste ook mag klinken, waren daarentegen juist enkele van de energienemers.
Wat me wel opviel was het feit dat ik maandenlang geen enkele column heb kunnen schrijven, waar dat er doorgaans twee tot drie per maand waren voordat ik uitviel, maar juist wél de rust en energie had voor het schrijven van gedichten en het maken van abstracte illustraties. Met de psycholoog besprak ik geregeld wat me bezighield deze dagen. “Niets is goed of fout, probeer het maar te laten bruisen!” was haar uitspraak, die ik vervolgens dagelijks als een mantra in mijn hoofd hoorde.
Uit landelijke onderzoeken van onder andere TNO en CBS blijkt dat de onderwijssector koploper is op het gebied van werkdruk en burn-out klachten. Zo heeft volgens vakbond AOb maar liefst 33,9 procent van de docenten in het voortgezet onderwijs te maken met burn-out klachten. In vergelijking met andere Nederlandse werknemers (19,7 procent) is dat percentage bijzonder hoog. De onaflaatbare stroom aan, veelal door opeengestapelde politieke dwalingen, opgelegde ontwikkelingen en verwachtingen en een in alle facetten snel veranderende maatschappij maken van het docentschap een zeer dynamisch beroep.
Docent en schrijver Daniël Ponsen schreef onlangs in de Voorschotense krant: ‘In weinig beroepen wordt professionaliteit zo vaak verward met zelfopoffering als in het onderwijs. Terwijl een goede leerkracht niet degene is die om elf uur ’s avonds nog mailt, maar degene die overdag goed onderwijs geeft…’ Het is daarbij zaak om ruis en randzaken zoveel mogelijk te onderscheiden van wat er daadwerkelijk toe doet in het onderwijs: gezond zijn en blijven en goed lesgeven. Het tweede lukt alleen wanneer het eerste op orde is, fysiek en mentaal.
Daarnaast probeer ik, al relativerende, mijn eerste vijfentwintig jaar als docent te vergelijken met de eerste vijfentwintig jaar van een mens in ontwikkeling. Rondom die leeftijd zijn de menselijke hersenen biologisch gezien volgroeid, met de prefrontale cortex als sluitstuk, maar blijft er uiteraard wel plaats en ruimte voor bepaalde ontwikkelingen. Ik vind dat een mooie gedachte voor de toekomst. Voordat dat het geval is, zal ik de komende tijd eerst nog blijven werken aan het terugzetten van mijn persoonlijke harde schijf naar fabrieksinstellingen. En zal ik tevens vooral niet moeten vergeten om daarbij vooraf een back-up te maken van al datgene dat me heeft geholpen, succes heeft gebracht en heeft verrijkt in het verleden. Een mooie reminder voor de komende vijfentwintig jaar.
Pascal Cuijpers is werkzaam als docent beeldende vorming en faalangstreductie- en examenvreestrainer in het voortgezet onderwijs. Daarnaast schrijft hij columns, opiniestukken en gedichten, met name over zaken die betrekking hebben op het onderwijs, in de breedste zin van het woord. Van zijn hand verschenen eerder vijf boeken. In het najaar zal zijn eerste dichtbundel verschijnen bij uitgeverij Telos.