
Een ode.
Paulien Cornelisse is dood. De besten gaan altijd het eerst, in heden en verleden. Maar hoe duidelijk is die taal?
‘Toekomst’ is een prachtig Nederlands begrip, echter boud gesteld, bestaat zoiets als een verondersteld tijdsgewricht als ‘de toekomst’ natuurlijk helemaal niet. Is er dan een ander begrip om de aankomende tijd te duiden? Verder dan ‘morgen’ komen we niet, althans niet in taal.
Het lijkt zo zonneklaar en toch heeft het niets te maken met zaken die ons ‘toe’ zouden komen. De tijd die nog komt, voor ons ligt, behoeft een benaming, maar zoals zoveel begrippen die met de onbestaande tijd te maken hebben kwamen wij niet verder dan een holle omschrijving als ‘toekomst’. De mensheid heeft tenslotte geen flauwe notie van tijd. Tijd is een afspraak.
Er is alleen een heden én een verleden, en van alles wat in het verleden is gebeurd kunnen we alleen maar vaststellen dat we gevangenen zijn in allerlei perpetua mobilia. Beschavingen, culturen, systemen, hele werelden stonden op en vergingen na verloop van tijd. Niets bleef, niets had ooit ‘toekomst’ en het bewijs daarvoor ligt paradoxaal genoeg, in het verleden. Onze geschiedenis.
Alle gestelde en geplande ‘toekomstperspectieven’ bleken hopeloze fata morgana’s, zuiver en alleen gebaseerd op onze diepmenselijke verwachtingen over zekerheden die we al hadden. Gemankeerde verwachtingen derhalve van een soort dat nauwelijks buiten zijn eigen bestaansperiode kan denken, en zich dat van zijn medemens al helemaal niet kan invoelen. Diezelfde mens die op z’n hoogst zo’n jaar of vijftig vooruit kan denken (dénken, niet kíjken) met als enige kinderlijke wijsheid die in zijn bestaan zekerheid biedt is: ‘ hier zullen over honderd jaar allemaal andere mensen leven’.
Dat lijkt een knoepert van een open deur (‘Vandaag is morgen gisteren’ zo u weet) maar ondertussen drijven maatschappij en politiek grotendeels op invulling en planning voor een periode die volledig buiten ons bereik ligt.
Moeder aarde kent immers geen prognoses en hoeft nog maar eens met haar warrige haardos te schudden en het is afgelopen met alles dat over haar barre huid voortkrabbelt.
Tenzij men ‘korte termijn’ met ‘toekomst’ verward klinkt het begrip poëtisch maar blijft het een lege dop. Natuurlijk ligt de zeer menselijke behoefte aan controle, en enigszins grip hebben op eigen bestaan, hieraan ten grondslag. De menselijke aard, zijn zelfgeschapen werkelijkheid en de realiteit staan immers nogal eens op gespannen voet met elkaar. Zonder dat vermaledijde ‘toekomstperspectief’ vervallen de meeste (zekere) bestaanswaarden en zou een samenleving tot chaos vervallen. Een pleidooi voor tijdloos leven bied ook al geen soelaas, onze maatschappij loopt immers op de klok en menigeen zou zonder die duiding reddeloos vergaan in een zee van onhanteerbare vrije tijd.
Lastige paradox dus, maar zouden de mensen die zich, al dan niet beroepsmatig, wél met dat niet bestaand vacuüm bezighouden zich dat wel realiseren of zou werkelijk inzicht hun bestaan ondraagbaar ondermijnen?
Een interessante these die op doemdenken noch zuiver theoretische waarde kan worden afgeserveerd. Zonder toekomstbesef leeft een mens in ongekende vrijheid, een vrijheid waar de mensheid sinds het begin van zijn bestaan naar hunkert maar, sinds de ontwikkeling van zijn intellect en daarmee zijn beschaving, helemaal geen raad mee weet. Vrijheid en toekomstbesef raken in conflict zodra onze intellectuele vermogens dergelijke begrippen proberen te kaderen.
Toch bijzonder dat industrie, bedrijfsleven en overheden in een existentiële zeepbel opereren en zuiver bestaan bij de gratie van die niet bestaande toe-komst. Rest dus inderdaad geen andere conclusie dat er niets anders is dan de dag van vandaag. Met de kennis van gisteren uiteraard.
We gaan je verschrikkelijk missen Paulien. Zeg maar.