
Ze hebben gelijk maar zal het een achterhoedegevecht blijken?
Schrijvers en journalisten zijn in actie gekomen tegen Meta, het bedrijf achter Facebook, Instagram en zo nog het een en ander. Steen des aanstoots is het kunstmatige intelligentiemodel waarmee techlord Mark Zuckerberg aan de weg probeert te timmeren. Dat wordt getraind met boeken en artikelen. De schrijvers en de journalisten accepteren niet langer dat dit zonder hun toestemming gebeurt. Ook betaalt Meta geen cent voor het gebruik van hun creatieve werk. Daarom hebben de Nederlandse Vereniging van Journalisten en de Auteursbond een proces aangespannen. Dritte im Bunde, is Lira. Deze organisatie int en verspreidt de vergoedingen die bibliotheken betalen voor het uitlenen van hun boeken. Een rechtsgang is de enige mogelijkheid want Meta is tot nog toe niet tot overleg bereid.
De schrijvers en journalisten hebben gelijk. De schilders en componisten die hun voorbeeld ongetwijfeld zullen volgen, net zo goed.
Zuckerberg zal zich echter niet zo snel gewonnen geven. Waarschijnlijk zal hij met ongeveer dit argument komen. De schrijvers en de journalisten maken hun werk niet blanco. Ze zijn sterk beïnvloed en geïnspireerd door collega’s uit heden en verleden waar ze op school voor het eerste kennis mee maakten. Een goede roman draagt daarvan altijd de sporen. Ook al is die voortgekomen uit een creatief brein. Zo werkt een AI-model ook. Er is dan ook geen enkele reden voor een vergoeding want wat dit betreft is er geen verschil tussen een mens en een machine. Ja misschien wel: de machine maakt zich kennis en vaardigheden veel sneller eigen dan een mens.
Uiteindelijk zal het er wel op neerkomen dat eigenaren van AI-modellen gaan betalen voor het gebruik van wat mensen aan inhoud produceerden. De vraag is alleen hoe dat op een eerlijke manier wordt verdeeld onder de menselijke producenten van content.
De strijd die de schrijvers en journalisten nu aangaan, heeft wél kenmerken van een achterhoedegevecht. Tot nog toe zijn schrijvers, journalisten en uitgevers geneigd om AI als een gevaar te beschouwen en de techlords als een vijandige macht. In Frankrijk is de Canadees-Haïtiaanse schrijver Thélison Orélien geschrapt van de shortlist voor de prestigieuze Prix Goncourt, omdat uitkwam dat grote delen van zijn roman C'était ça ou mourir met AI gemaakt zijn. De auteur blijft overigens ontkennen. Hij zegt dat zijn verhaal is gebaseerd op zijn eigen verhalen en Caribische literaire tradities. Toch heeft zijn uitgever in Canada een promotiecampagne voorlopig gestopt.
Nu nog eisen de meeste uitgevers van hun auteurs dat hun teksten uit hun eigen brein ontspruiten en niet worden gemaakt met behulp van kunstmatige intelligentie. Het zal waarschijnlijk geen tien jaar duren of veel kunstwerken - muziek, beeld, tekst - zijn gemaakt op basis van prompts. Zo ontstaat een samenspel tussen kunstenaars en kunstmatige intelligentie. Of - als je dat liever is - AI wordt een legitiem instrument in de hand van kunstenaars. Talent blijkt uit de min of minder magistrale wijze waarop je AI stuurt. Of de producenten van zulke content in een aparte categorie worden ondergebracht naast schrijvers, journalisten, schilders en componisten is vers twee. Dat zal de toekomst leren.
Om van die toekomst een vage schets te geven, heb ik eens iets geprobeerd. Ooit heb ik een half uur of wat een geluksgevoel gekend dat ik nooit vergeten ben. Dat was in Manila, om precies te zijn op Claro M. Recto Avenue. Recto zeggen de Manileños.
Dat verwerkte ik in een prompt voor het Amerikaanse Chatgpt en het Chinese Deepseek. Ik liet het bovendien illustreren. De beide chatbots kregen de opdracht het verhaal twee keer te vertellen, éénmaal in de stijl van het expressionisme en éénmaal in die van het naturalisme. Ik vroeg Chatgpt bovendien om illustraties. Daarbij liet ik het. Je kunt je voorstellen hoe kunstenaars van de toekomst met steeds nieuwe prompts de tekst veranderen en verbeteren tot die tenslotte echt het karakter van literatuur heeft gekregen waarbij zij ook nog van geavanceerder modellen gebruiken dan nu is gebeurd. Ik laat het bij een eerste concept.
Hier volgt de prompt en vervolgens de resultaten. Alles is zo gelaten als het binnenkwam, zelfs de Chinese versie die Deepseek abusievelijk maakte.
Beschrijf in expressionistische stijl de volgende ervaring van mij. Je hebt het gedicht Domweg Gelukkig in de Dapperstraat. Ik heb zulk geluk een keer ervaren in mijn leven. Dat was op Claro M. Recto Avenue in Manila, terwijl ik aan de straat op een miniem terrasje een halo halo zat te eten. Neem in de beschrijving op hoe dat gevoel over me komt door enerzijds de halo halo en anderzijds het verkeeren de passanten op straat. Gebruik beelden op het internet van Claro M. Recto Avenue in Manila om een correcte weergave te geven van de bebouwing, het verkeer en de passanten. Benoem daarbij ook afzonderlijke passanten en verkeersmiddelen zoals je die in Manila aantreft. Beschrijf daarin ook wat halo halo is maar dit alles binnen de beschrijving van ht geluksgevoel. Aan het eind betaal ik en ga naar mijn afspraak.
Chatgpt
Ik heb voor het straatbeeld van Claro M. Recto Avenue gekeken naar recente en historische straatbeelden. Die laten precies het soort stedelijke opeenhoping zien dat je beschrijft: brede, drukke verkeersbanen, dicht op elkaar gebouwde commerciële panden, arcades en winkels, verkopers die delen van de stoep innemen, een wirwar van kabels, jeepneys, tricycles, motorfietsen, auto's en een onafgebroken stroom voetgangers. Op sommige gedeelten loopt de verhoogde LRT als een massieve betonnen kap boven de straat. (JICA Report PDF)
Ik zit op een terras dat nauwelijks een terras mag heten.
Een paar stoelen. Een tafel. Beton onder mijn voeten. Misschien een meter tussen mij en de straat. Meer is er niet nodig.
Voor mij ligt Claro M. Recto Avenue als een opengebarsten ader van Manila.
De straat beweegt.
Niet: er rijden auto's.
Niet: er lopen mensen.
De straat beweegt.
Ze stuwt, remt, wringt, toetert, dampt, glinstert, zweet.
Een jeepney komt voorbij, een glimmende metalen doos met een snuit als van een klein oorlogsschip, vol passagiers die door de openingen naar buiten kijken. Daarachter een tricycle, motorfiets met zijspan, ratelend alsof hij uit losse onderdelen bij elkaar wordt gehouden. Een brommer schiet ertussendoor. Een taxi. Een bus. Een man op een motorfiets met een helm zo rood dat hij even het enige rode voorwerp in de wereld lijkt. Dan weer een jeepney, blauw, groen, zilverkleurig, beschilderd, overladen.
En ondertussen lopen de mensen.
Een jonge studente met een rugzak tegen haar schouder gedrukt.
Een jongen in een wit T-shirt die haastig de straat oversteekt.
Een oudere vrouw met een plastic tas.
Een verkoper onder een parasol.
Een man die zijn telefoon bekijkt terwijl hij loopt.
Een moeder met een kind aan de hand.
Een groep studenten die lachend uit elkaar waaiert en zich even later weer samenvoegt.
Een chauffeur die uit zijn jeepney hangt en roept.
Een man die met een karretje tussen de stilstaande voertuigen laveert.
Niemand staat stil.
Behalve ik.
Ik eet.
Halo-halo.
Een glas met iets dat eruitziet alsof iemand de kleuren van de wereld in een glas heeft opgesloten en vervolgens heeft geschud.
Onderin zoete bonen. Fruit. Kokos. Jelly. Tapioca. Soms stukjes nata de coco, jackfruit, zoete palmvruchten. Daarboven gecondenseerde melk, ijs, vaak een bolletje ube-ijs, paars als een avond die nog niet weet dat hij nacht zal worden. En dan geschaafd ijs, een kleine berg winter, midden in de hitte van Manila.
Halo-halo betekent letterlijk ongeveer: meng-meng.
Dat is wat je moet doen.
Je krijgt het niet kant-en-klaar.
Je moet het zelf tot elkaar brengen.
Ik steek de lepel erin.
Het ijs breekt.
Paars.
Wit.
Geel.
Roze.
Bruin.
Transparant.
Zoet.
Koud.
Zacht.
Kauwend.
Een klontje ijs smelt tegen mijn tong en op hetzelfde ogenblik gilt ergens een claxon.
Ik kijk op.
De straat is er nog.
De jeepney glijdt voorbij.
De tricycle pruttelt.
Een motorfiets snijdt een denkbeeldige lijn door het verkeer.
Een bus remt.
Een vrouw loopt onder een paraplu.
Een student springt tussen twee voertuigen door.
Een verkoper houdt iets omhoog naar iemand achter het raam van een auto.
Een kind kijkt naar mij.
Of misschien kijk ik naar het kind.
En plotseling gebeurt er iets.
Niet buiten mij.
In mij.
Alsof mijn lichaam, dat tot nu toe slechts mijn lichaam was, ineens openklapt.
Alsof er ergens achter mijn ribben een raam wordt opengeduwd.
Ik proef de halo-halo en de hele straat komt naar binnen.
De suiker wordt het zonlicht.
Het ijs wordt de lucht.
De paarse ube wordt een kleur die niet alleen paars is maar ook verrukking, een diepe violette toon die zich uitstrekt tot achter de gebouwen.
De gecondenseerde melk is Manila zelf: zoet, zwaar, overvloedig.
En de bonen, de jelly, het fruit, het ijs, alles wat in het glas door elkaar ligt, is opeens niet langer voedsel.
Het is wereld.
Ik eet de wereld.
En de wereld eet mij.
Voor mijn ogen wordt Recto een schilderij dat weigert stil te staan. De oude en nieuwe gebouwen staan tegen elkaar aangeperst. Gevels met winkels en uithangborden, betonnen constructies, arcades waar mensen onderdoor schuiven, kraampjes die zich tussen de officiële stad en de straat hebben gedrongen. Boven alles lopen elektriciteitsdraden als zwarte potloodstrepen door de lucht. (Philippine Economic Authority)
En ik begrijp ineens dat het lawaai geen lawaai is.
Het is leven.
De claxon zegt: hier ben ik.
De motor zegt: ik ga.
De jeepney zegt: stap in.
De voetstappen zeggen: ik moet ergens heen.
De verkoper zegt: koop.
Het kind zegt niets.
Het kind kijkt alleen.
En ik zit daar.
Met mijn kleine glas halo-halo.
Met een lepel in mijn hand.
En ik ben gelukkig.
Niet omdat er iets bijzonders gebeurt.
Er gebeurt juist niets bijzonders.
Niemand heeft mij een medaille gegeven.
Niemand heeft mij gebeld met goed nieuws.
Er is geen geliefde verschenen.
Er is geen fortuin gevallen.
Ik zit alleen maar op een onooglijk terrasje langs een van de drukste straten van Manila een glas geschaafd ijs met zoete rommel erin te eten.
En het is genoeg.
Meer dan genoeg.
De wereld heeft zich gedurende een paar minuten niet aan mij opgedrongen. Hij heeft mij opgenomen.
Ik hoef niets.
Ik hoef nergens heen.
Ik hoef niets te begrijpen.
Ik hoef alleen maar te zitten en te eten en te kijken.
Een jeepney rijdt voorbij.
Een vrouw met een rode tas steekt over.
Een jongen met een rugzak kijkt naar de klok.
Een motorfiets toetert.
Een tricycle verdwijnt tussen twee auto's.
Iemand lacht.
Iemand roept.
Iemand verkoopt.
Iemand haast zich.
Iemand wacht.
En boven die hele menselijke stroom staat de hitte, zwaar en helder, terwijl de stad zichzelf voortdurend opnieuw uitvindt.
Ik neem nog een hap.
Het ijs kraakt.
Ik proef ube.
Ik proef kokos.
Ik proef suiker.
Ik proef iets wat ik niet kan benoemen.
En juist dat onbenoembare is het geluk.
Een ogenblik lang is de wereld geen probleem dat opgelost moet worden.
Hij is er.
Alleen maar.
Daar zit ik.
Claro M. Recto.
Manila.
Halo-halo.
Verkeer.
Mensen.
Lawaai.
Hitte.
En ik denk niet: wat een geluk.
Ik ben het geluk.
Dan is het glas leeg.
Een paarse vlek kleeft nog aan de bodem.
Ik leg de lepel neer.
De straat dendert verder alsof er niets gebeurd is.
Ik betaal.
Ik sta op.
De stoel schuift over het beton.
De werkelijkheid komt weer terug, maar eigenlijk was zij nooit weggeweest.
Ik loop weg.
Ik heb een afspraak.
En achter mij rijdt een jeepney voorbij.
Doe het nu in naturalistische stijl
Ik heb vooral de opsommingen van passanten, voertuigen en zintuiglijke indrukken samengebracht, zodat het naturalistische karakter behouden blijft zonder dat de tekst staccato wordt.
Ik zat aan de straat op een terras dat eigenlijk niet meer was dan een paar tafeltjes en stoelen op een stukje beton tussen het verkeer en de gevels. Claro M. Recto Avenue lag vlak voor me. Het was warm. Niet alleen de lucht, maar ook het beton, de metalen voertuigen en de leuning van mijn stoel hielden de warmte vast.
Voor me stond een glas halo-halo.
Het Filipijnse nagerecht bestond uit geschaafd ijs, gecondenseerde melk, zoete bonen, fruit en gelei, met bovenop een bolletje paars ube-ijs. Alles zat door elkaar. Ik stak mijn lepel erin en proefde afwisselend het koude ijs, de zoete melk, kokos, fruit en iets zachts en glibberigs dat ik niet meteen kon thuisbrengen.
Voor me reed het verkeer voorbij. Een jeepney stopte bij een groep wachtende mensen. Passagiers stapten in en uit, waarna de chauffeur weer optrok. Tussen de auto's en bussen door reden motorfietsen en tricycles, die zich met weinig ruimte tussen het verkeer bewogen.
Ook de stoep stond niet stil. Een jonge vrouw met een tas liep langs, een man keek op zijn telefoon, een oudere vrouw droeg plastic zakken en een jongen met een rugzak stak tussen de voertuigen door. Een moeder hield haar kind bij de hand. Niemand lette op mij.
Dat beviel me.
Ik zat daar en hoefde niets met die mensen te hebben. Ik hoefde niet te weten wie ze waren of waar ze naartoe gingen. Ze maakten deel uit van de straat, zoals de jeepneys, de winkels, de reclameborden en de elektriciteitsdraden boven mijn hoofd.
Ik at verder.
Het ijs smolt snel. Het glas werd nat aan de buitenkant. Mijn shirt plakte een beetje aan mijn rug. Het verkeer maakte voortdurend geluid: claxons, motoren, remmen, stemmen. Soms schoof een bus voorbij en verdween het uitzicht op de gebouwen even, om het een ogenblik later weer vrij te geven.
En zonder dat er iets bijzonders gebeurde, werd ik gelukkig.
Het kwam niet door één ding. Het was de combinatie van de koude halo-halo en de hitte van Manila, van de zoetigheid en de uitlaatgassen, van mijn stilzitten en de mensen die voortdurend onderweg waren.
Ik had geen reden om gelukkig te zijn. Er was geen gebeurtenis die het gevoel verklaarde. Ik had alleen mijn eten, mijn stoel, de straat en een afspraak waar ik later naartoe moest.
Misschien was juist dat genoeg.
Ik nam de laatste lepel. In het glas zat alleen nog gesmolten ijs met wat paarse ube en kokos. Ik schraapte de bodem leeg.
Daarna betaalde ik.
De straat was nog even druk. Een jeepney trok op terwijl een groep voetgangers overstak. Ik stond op en liep naar mijn afspraak.
Het gevoel bleef nog even bij me, niet als een gedachte, maar als een smaak die nog op mijn tong zat.
Zoet.
Koud.
Een beetje vreemd.
En volkomen werkelijk.
Als je wilt, kan ik hem ook nog iets literairder en minder expliciet uitleggerig maken, zodat het naturalisme sterker uit de beelden zelf naar voren komt.
Deepseek
# 在 Claro M. Recto 大街,混合着幸福
马尼拉的血管在正午爆裂。
吉普尼像被剥了皮的金属野兽,喷着柴油的黑烟,在街道上横冲直撞。车头悬挂的铝制骏马在颠簸中疯狂点头,车身上的红绿涂鸦烧灼着视网膜。三轮摩托(tricycle)的侧斗里挤着四个穿校服的学生,他们的笑声被引擎声撕碎,抛向满是电线的天空。
我就坐在那里。
一张摇摇欲坠的塑料桌,紧贴着人行道的边缘。身后是 Isetann Mall 灰扑扑的水泥立面,电线像黑色的血管爬满墙体,天空被切割成不规则的碎片。空气是实体—— 柴油、炸香蕉、汗水和腐烂的甜 ——它黏在喉咙里,堵在鼻腔里。
Halo-halo。
玻璃杯壁上凝结着水珠。一层又一层,像马尼拉本身的剖面:紫薯冰淇淋(ube)塌陷在顶端,浓郁的紫色像被碾碎的晚霞;底下埋着蜜煮豆子、椰果、焦糖香蕉和杰克果丝,全部浸泡在炼乳和碎冰的白色混沌中。勺子插下去,往上提,所有颜色搅拌在一起——这就是“halo-halo”的字面意思:混合,混合。
碎冰在齿间碎裂的声音,甜味和奶味同时冲击上颚,冰凉的刺痛从舌尖蔓延到太阳穴。幸福不是从这里面长出来的。幸福是里面的所有东西同时存在——互不相融,却又被迫混在一起——然后你咽下去,接受它的全部。
人流从眼前涌过。
一个穿黄色印花 T 恤的吉普尼售票员挂在车门框上,半个身体探在外面,对着空气嘶吼着目的地的名字。他的手指夹着一把零钱,硬币在阳光下闪了一下,消失了。三轮车夫蹲在车座上,光着脚,皮肤被晒成皮革的颜色,眼神空茫地扫过每一个可能招手的人。一个穿白色校服的女孩从大学带的方向走来,书包带勒进肩膀,耳机线垂在胸前,她绕过一滩不知道是什么的污水,没有低头看一眼。她的身后,两个穿短裤的中年男人蹲在店门口,手指间夹着烟,在讨论一份伪造的就业证明该收两百还是两百五比索。墙上的招工广告被撕了一半,露出底下一层又一层旧的海报。
喷着黑烟的公交车碾过路面的坑洞,整个车身发出一声金属的呻吟。载客吉普尼的长长队列堵在红绿灯前,每一辆的挡风玻璃上方都贴着一排花花绿绿的目的地牌子——*Divisoria, Quiapo, Sta. Cruz*——像一串念珠。喇叭声。不是一声,是一层叠着一层的声墙,低沉的轰鸣里夹杂着尖锐的短促鸣笛,像是整个街道在咳嗽,在清嗓子,在宣告自己还活着。
热。汗水从后颈流下来,沿着脊柱往下淌。但碎冰还在杯底,炼乳正在融化,紫薯的甜味在口腔里慢慢退潮。
我不赶路。我不等谁。我不需要成为任何人。
这就是 J.C. Bloem 在 Dapperstraat 找到的东西——在灰暗的城市街道上,在细雨和电车之间,一种不需要理由的、笨拙的、彻底的满足。“对于期待不多的人,一切都足够丰富”。
马尼拉不给你任何承诺。Recto 大街尤其不给。 它肮脏、嘈杂、拥堵、混乱。伪造证件的人在你左边交易,小偷在人群里游荡,吉普尼的排气管喷在你脸上。但正因为它什么都不承诺,它反而什么都给了。
你不需要去海滩。你不需要去山里。你不需要一个安静的房间和一扇看得到云的窗户。
你只需要坐在路边。
吃一杯把所有东西都混在一起的冰。
看世界在你面前疯狂地、肮脏地、毫无理由地活着。
勺子刮过玻璃杯底,发出最后一声刺耳的摩擦。
我站起来。把钱压在杯底。
走入人流。
Domweg gelukkig。
在 Recto。
Kun je dit ook in het Nederlands?
# Domweg gelukkig op Claro M. Recto Avenue
De aderen van Manila barsten open in de middaghitte.
\Jeepneys als metalen beesten met afgestroopte huid, zwarte dieselwolken uitbrakend, scheuren over de straat. De aluminium paarden op hun neuzen knikken waanzinnig bij elke schok, de roodgroene graffiti op hun flanken brandt in je netvlies. In het zijspan van een tricycle persen zich vier schoolkinderen in uniform, hun gelach wordt verscheurd door het motorgeluid en de met draden doorregen hemel in geslingerd.
Ik zat daar.
Een wankel plastic tafeltje, tegen de rand van het trottoir gedrukt. Achter me de grauwe betonnen gevel van de Isetann Mall, elektriciteitsdraden als zwarte bloedvaten tegen de muur, de hemel in onregelmatige stukken gesneden. De lucht is een substantie — diesel, gefrituurde banaan, zweet en rottende zoetheid — ze kleeft in je keel, blokkeert je neusgaten.
Halo-halo.
Waterdruppels op de glazen wand. Laag na laag, als een dwarsdoorsnede van Manila zelf: ube-ijs dat inzakt aan de top, het diepe paars als verpletterde avondschemering; daaronder gekonfijte bonen, kokosgelei, gekaramelliseerde banaan en jackfruitreepjes, alles ondergedompeld in een witte chaos van gecondenseerde melk en gekraakt ijs. De lepel erin, omhoog, alle kleuren door elkaar — dat is de letterlijke betekenis van “halo-halo”: mengen, mengen.
Het geluid van brekend ijs tussen je tanden, zoet en melkig tegelijk tegen je gehemelte, de ijzige steek die van je tongpunt naar je slapen kruipt. Het geluk groeit niet hieruit. Het geluk is dat alles er tegelijk is — elkaar niet verdragend, toch gedwongen samen — en dan slik je het door, en je aanvaardt het geheel.
De mensenmassa stroomt voorbij.
Een jeepney-conducteur in een geel bedrukt T-shirt hangt aan de deurpost, half naar buiten geleund, schreeuwt bestemmingen tegen de lucht. Zijn vingers klemmen een bos kleingeld, een munt flitst even in het zonlicht en verdwijnt. Een tricyclebestuurder hurkt op zijn zadel, blootvoets, zijn huid tot leer gelooid, zijn blik leeg over iedereen die misschien zijn hand opsteekt. Een meisje in wit schooluniform komt van de richting van de universiteit, de band van haar tas snijdt in haar schouder, de oortjes van haar koptelefoon bungelen op haar borst, ze stapt om een plas van iets onbestemds heen zonder één keer naar beneden te kijken. Achter haar hurken twee mannen in korte broek bij een winkeldeur, sigaretten tussen hun vingers, in gesprek over of een vervalst arbeidsattest tweehonderd of tweehonderdvijftig peso moet kosten. De vacatureaffiche op de muur is half afgescheurd, onthult laag na laag oudere posters.
Een bus die zwarte rook uitbraakt rijdt door een kuil in het wegdek, de hele carrosserie kreunt metalig. De lange rij jeepneys staat vast voor het stoplicht, boven elke voorruit een rij bontgekleurde bestemmingsborden — Divisoria, Quiapo, Sta. Cruz — als een rozenkrans. Claxons. Niet één, maar een muur van geluid laag over laag, in het diepe gebrul scherpe korte stoten, alsof de hele straat hoest, zijn keel schraapt, verkondigt dat hij nog leeft.
Hitte. Zweet loopt van je nek naar beneden, langs je ruggengraat. Maar het gekraakte ijs zit nog in de bodem van het glas, de gecondenseerde melk smelt, de zoetheid van de ube ebt langzaam weg in je mond.
Ik hoef niet verder. Ik wacht op niemand. Ik hoef niemand te zijn.
Dat is wat J.C. Bloem vond in de Dapperstraat — op een grauwe stadsstraat, tussen motregen en trams, een onhandige, volstrekte tevredenheid zonder reden. “Voor wie weinig verwacht, is alles rijkelijk genoeg.”
Manila belooft je niets. Recto Avenue al helemaal niet. Het is smerig, lawaaierig, verstopt, chaotisch. Vervalsers handelen links van je, zakkenrollers zwerven door de menigte, jeepney-uitlaten blazen in je gezicht. Maar juist omdat het niets belooft, geeft het alles.
Je hoeft niet naar het strand. Je hoeft niet naar de bergen. Je hebt geen stille kamer nodig met een raam waar je wolken door ziet.
Je hoeft alleen maar aan de rand van de straat te zitten.
Een glas ijs te eten waarin alles door elkaar is geroerd.
De wereld voor je te zien leven — waanzinnig, smerig, zonder enige reden.
De lepel schraapt over de bodem van het glas, een laatste schril geluid.
Ik sta op. Ik laat het geld onder het glas achter.
Ik stap de menigte in.
Domweg gelukkig.
Op Recto.
Doe het nu nog een keer in naturalistische stijl
l# Domweg gelukkig op Claro M. Recto Avenue
Het is 12:47 op een dinsdag in maart. De temperatuur is 34 graden Celsius, de luchtvochtigheid 78 procent. Op de hoek van Claro M. Recto Avenue en Rizal Avenue staat een elektriciteitsmeter die 214 kilowatt aangeeft voor het hele blok. De jeepney voor mij heeft nummer 1702 op de zijkant geverfd, een roestplek van ongeveer twintig centimeter onder de voorruit, en een bestickering die bij nadere beschouwing een afbeelding van de Maagd Maria blijkt te zijn, half bedekt door een sticker van een sigarettenmerk.
Ik zit op de derde stoel van links op het terras van een eetgelegenheid zonder naam. De plastic stoel heeft een scheur van acht centimeter in de zitting, geplakt met grijs plakband dat aan de randen is omgekruld. De tafel meet zestig bij zestig centimeter. Het tafelblad is nat van een eerder gemorste drank, waarschijnlijk cola, want er zitten drie mieren in de plas.
De halo-halo kost 85 peso. Ik heb er een briefje van honderd voor gegeven en 15 peso wisselgeld teruggekregen, waarvan twee munten van 5 peso en vijf munten van 1 peso. Het glas is 14 centimeter hoog, diameter 8 centimeter, inhoud ongeveer 400 milliliter. De samenstelling van onder naar boven: 40 gram gekraakt ijs, 30 gram gecondenseerde melk, 25 gram ube-halaya, 20 gram gekonfijte kidneybonen, 15 gram nata de coco, 15 gram jackfruit, 10 gram saba-banaan, 5 gram pinipig, en op de top een bol ube-ijs van ongeveer 60 gram. De totale calorische waarde bedraagt ongeveer 380 kilocalorieën.
Het ijs smelt met een snelheid van ongeveer 2 gram per minuut bij deze temperatuur. De gecondenseerde melk heeft een vetgehalte van 8 procent. De ube-halaya bevat 45 gram suiker per 100 gram. Wanneer ik de lepel in het glas steek en omhoog haal, mengt de paarse ube zich met de witte melk tot een lichtpaarse suspensie. De temperatuur van het mengsel op mijn tong is ongeveer 2 graden Celsius. De zoetheid wordt voornamelijk veroorzaakt door sucrose en lactose.
De lepel is van roestvrij staal, 18 centimeter lang, met een licht verbogen steel.
Op het trottoir voor mij passeren in één minuut tijd:
13:04:12 — Een jeepney met kenteken NCR 4582, route Divisoria-Quiapo, bestuurd door een man van ongeveer 45 jaar, lengte 1,65 meter, gewicht naar schatting 68 kilogram, gekleed in een hemd met korte mouwen dat ooit wit was. Het voertuig heeft 22 passagiers, van wie 4 op het dak. De uitstoot van fijnstof bedraagt naar schatting 0,8 gram per kilometer.
13:04:18 — Een vrouw van ongeveer 60 jaar, lengte 1,52 meter, draagt een jurk met bloemenpatroon en plastic slippers maat 38. Zij draagt een mand met 14 stukken fruit: 6 mango's, 4 bananen, 3 guaves en 1 papaja. De mand weegt ongeveer 4 kilogram. Zij loopt met een snelheid van 0,9 meter per seconde.
13:04:23 — Een tricycle met motorinhoud 125 cc, zijspan met plaats voor 3 personen, bezet met 5 personen: de bestuurder, twee volwassenen en twee kinderen. De kinderen zijn respectievelijk 7 en 9 jaar. Het voertuig rijdt met een snelheid van 25 kilometer per uur, 5 kilometer per uur boven de toegestane snelheid in deze zone.
13:04:31 — Een man van ongeveer 30 jaar, lengte 1,70 meter, gewicht 62 kilogram, gekleed in een wit T-shirt en spijkerbroek. Hij verkoopt sieraden uit een doos van 40 bij 30 centimeter. De doos bevat 47 ringen, 23 kettingen en 12 armbanden. De prijzen variëren van 20 tot 150 peso. Hij heeft in de afgelopen tien minuten niets verkocht.
13:04:39 — Een bus van het bedrijf G Liner, kenteken TXX 884, met 52 zitplaatsen en ongeveer 60 passagiers. De bus stoot een zichtbare rookwolk uit met een diameter van ongeveer 1,5 meter en een lengte van 4 meter. De bus rijdt met een snelheid van 15 kilometer per uur vanwege de verkeersopstopping.
13:04:47 — Een meisje van ongeveer 17 jaar, lengte 1,58 meter, gewicht 48 kilogram, in schooluniform van de University of the East. Zij draagt een rugzak van 3 kilogram. Zij loopt met een snelheid van 1,1 meter per seconde. Zij kijkt naar haar mobiele telefoon, een model met een 6,1-inch scherm.
13:04:52 — Een groep van drie mannen, leeftijden naar schatting 25, 28 en 35 jaar, lengtes 1,68, 1,72 en 1,65 meter. Zij dragen allen korte broeken en T-shirts. Een van hen rookt een sigaret van het merk Fortune, prijs 8 peso per stuk. Zij staan stil bij de ingang van een gebouw met nummer 1124. Een van hen houdt een document vast van A4-formaat, vermoedelijk een identiteitsbewijs of een arbeidscontract. Het gesprek duurt 4 minuten en 12 seconden. Aan het einde wordt het document teruggegeven en loopt de groep uiteen.
De geluidsdrukniveaus gemeten over een periode van één minuut bedragen: gemiddeld 78 decibel, met pieken tot 94 decibel bij het passeren van een jeepney met een defecte uitlaat. Ter vergelijking: een normaal gesprek meet 60 decibel, een stofzuiger 70 decibel. De geluidsdrukniveaus overschrijden de door de Wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen grenswaarde voor stedelijk gebied van 55 decibel met 23 decibel.
De luchtkwaliteit op deze locatie is gemeten op PM2,5-niveau 47 microgram per kubieke meter. De WHO-richtlijn is 15 microgram per kubieke meter. De concentratie koolstofmonoxide bedraagt 4,2 delen per miljoen. De concentratie stikstofdioxide bedraagt 38 delen per miljard.
De temperatuur van mijn huid bedraagt 36,4 graden Celsius. Mijn hartslag is 72 slagen per minuut. Mijn bloeddruk is naar schatting 118 over 76 millimeter kwik. Mijn ademhalingsfrequentie is 14 per minuut.
Ik neem de laatste lepel. De lepel bevat 12 gram van het mengsel: 4 gram ijs, 3 gram melk, 2 gram ube, 1 gram boon, 1 gram nata, 1 gram jackfruit. De temperatuur is gestegen tot 4 graden Celsius. De zoetheid is minder intens dan bij de eerste lepel, omdat de smaakpapillen gewend zijn geraakt aan de suikerconcentratie.
Ik leg de lepel neer op het schoteltje. De lepel raakt het schoteltje met een geluid van ongeveer 65 decibel.
Ik haal mijn portemonnee tevoorschijn. De portemonnee is van kunstleer, 11 bij 9 centimeter, met een rits. Ik open de rits, die weerstand biedt van ongeveer 2 newton. Ik haal een briefje van 100 peso tevoorschijn, serie nummer onleesbaar door slijtage. Ik leg het briefje op tafel, onder het glas, zodat het niet wegwaait. De wind op dit moment is 12 kilometer per uur uit het zuidwesten.
Ik sta op. De stoel schuift 15 centimeter naar achteren over de betonnen vloer, met een schrapend geluid van ongeveer 70 decibel. Ik loop naar de uitgang van het terras, een afstand van 3,2 meter, in 4 seconden.
Ik stap het trottoir op. Het trottoir is 2,1 meter breed. Er lopen op dit moment 14 mensen in beide richtingen. Ik voeg me in de stroom en loop in westelijke richting met een snelheid van 1,0 meter per seconde.
Mijn hartslag is 74 slagen per minuut. Mijn ademhalingsfrequentie is 15 per minuut.
De temperatuur van de lucht is 34 graden Celsius. De luchtvochtigheid is 78 procent.
Ik ben gelukkig.
De vraag is: zal dit de toekomst zijn of komt ook hier een rem op?

Links expressionisme, rechts naturalisme.
Voor het overige ben ik van mening dat het toeslagenschandaal niet uit de publieke aandacht mag verdwijnen en de affaire rond het Groninger aardgas evenmin zeker nu de laatste putten open blijven en Friesland zo´n schandelijke compensatie geboden krijgt voor het toestaan van nieuwe winningen.
Beluister Het Geheugenpaleis, de wekelijkse podcast van Han van der Horst en John Knieriem over politiek en geschiedenis. Nu: vredesbeweging toen en nu.