
We koesteren in Nederland een hardnekkige mythe over onszelf. We noemen ons land graag progressief en ruimdenkend. Met nostalgie kijken we terug naar zestig jaar geleden. Homoseksualiteit was toen een groot taboe. Opeens was daar Albert Mol, een van de weinige openlijk homoseksuele mannen op de Nederlandse televisie. Wat we gemakshalve vergeten, is dat zijn acceptatie destijds een prijs had. Mol werd gedoogd omdat hij paste in het toen veilige, ietwat theatrale stereotype. Het was emancipatie op voorwaarden van de meerderheid: je mag er zijn, zolang je ons maar niet ongemakkelijk laat voelen.
Ook Zwarte Piet lijkt na jaren van felle strijd grotendeels verdwenen. Maar ook die verandering kwam er niet zonder hevig verzet.
Nu, jaren later, botsen we keihard op de grenzen van die schijntolerantie. Zodra gemarginaliseerde groepen niet langer de vrolijke karikatuur willen spelen, maar daadwerkelijk hun eigen ruimte en stem opeisen, slaat de zogenaamd Nederlandse tolerantie om in pure agressie. 'Ik eet gewoon nog een moorkop' en 'negerzoenen' roepen velen op Facebook onder een opruiend plaatje van een Bossche bol. 'Ja kom zeg en 'zwart geld' mag dat wel?' Zulke reacties zijn geen onschuldige grapjes. Ze dienen vooral om de discussie belachelijk te maken.
Het werd ook pijnlijk zichtbaar toen een vrouw van kleur het podium opeiste. We zagen het een paar jaar geleden tijdens de felle discussie over de vertaling van The Hill We Climb, het gedicht van de jonge Amerikaanse dichteres Amanda Gorman.
Toen critici opmerkten dat het vertalen van háár unieke woorden bij uitstek een kans was om een gekleurde vrouwelijke spoken-wordartiest het podium te geven. Iemand die zelf ervaring heeft met racialisering en uitsluiting staat mogelijk dichter bij de maatschappelijke lading van het gedicht. Er kwam veel weerstand.
Uitgeverij Meulenhoff vroeg de witte, non-binaire schrijver Lucas Rijneveld om het gedicht te vertalen. Omdat het gedicht onder meer over racisme en ongelijkheid gaat, kwam daar veel kritiek op. Paste het niet beter bij een dichter met wortels in de Afrikaanse diaspora? Rijneveld zag uiteindelijk af van de opdracht. Tenslotte werd het gedicht vertaald door de Nederlands-Surinaamse schrijver en spoken-wordartiest Zaïre Krieger.
Het is alsof we weer even terug zijn in het theater van eeuwen geleden. Toen werden vrouwenrollen standaard door mannen gespeeld omdat vrouwen zelf niet op het toneel mochten staan.
Diezelfde verkrampte reflex zagen we onlangs toen protestzangeres Sophie Straat tijdens haar concerten opriep om 'alle witte mannen naar achteren' te verplaatsen voor een veiligere moshpit. De reactie was voorspelbaar: fel en destructief. Johan Derksen schoot aan de talkshowtafel direct in de reflex van de gekrenkte witte man. Hij noemde haar een 'kutwijf'. Op social media struikelden boze burgers over elkaar heen. 'Ja hoor, daar heb je het al. Nu wordt ook de witte man gediscrimineerd.' 'Ze pakken ons alles af.'
Het is een klassieke afleidingsmanoeuvre die de werkelijke discussie doodslaat. Want waar ging het hier echt over? Het ging over het symbolisch omdraaien van de rollen. Het ging over het feit dat vrouwen en in het bijzonder vrouwen van kleur en queer vrouwen al hun hele leven systematisch en dagelijks op de achtergrond moeten staan. Sophie Straats oproep was geen oproep tot rassenscheiding. Het was een schurend artistiek statement. Een poging om de moshpit, die traditioneel het domein is van de fysiek dominante man, voor de duur van één liedje op te eisen voor alle vrouwen. Die zich daar normaal gesproken weggedrukt of onveilig voelen.
Het is een traag gevecht om ruimte te maken voor een ander. De reflex om direct 'omgekeerde discriminatie' te schreeuwen zodra de witte man een stapje terug moet doen, laat zien hoe diep die onwil zit.
Het meest wrange aan deze hele kwestie is de nasleep. Terwijl officiële meldpunten achteraf nuchter concludeerden dat er juridisch geen sprake was van discriminatie werd de jonge vrouw die haar nek uitstak overspoeld met een huiveringwekkende golf van online haat en doodsbedreigingen.