
Onlangs mocht ik een lezing geven tijdens een diner met een aantal goede vrienden. We kennen elkaar al jaren, en hoewel onze politieke opvattingen nogal uiteenlopen—van rechts-liberaal tot behoudend met af en toe een vleugje populisme—voelen de gesprekken altijd als een soort oefening in democratische spierkracht. Juist omdat we elkaar mogen, kunnen we het stevig oneens zijn zonder het contact te verliezen. Het leek me daarom passend om hen mee te nemen in een lezing over de verkiezingsuitslag van oktober 2025, die ons allemaal iets te zeggen heeft—waar je ook staat op het spectrum.
Op het eerste gezicht is die uitslag geruststellend. Het politieke midden is terug. D66 steeg van 9 naar 26 zetels, het CDA van 5 naar 18. Tegelijkertijd kregen partijen die de afgelopen jaren het debat domineerden met hun schreeuwerigheid een tik: de PVV leverde elf zetels in, BBB raakte bijna gehalveerd, NSC verdween volledig. De kiezer leek te zeggen: we zijn de chaos zat, doe maar weer normaal. Bestuur boven bombarie. Redelijkheid boven retoriek.
Maar onder die rustgevende oppervlakte ligt iets anders. De onvrede is niet verdwenen, ze heeft gewoon een ander vervoermiddel gekozen. JA21 steeg van 1 naar 9 zetels. FvD, jarenlang afgeschreven als marginaal, groeide weer naar 7. Dat zijn geen toevallige rimpelingen, dat zijn signalen. Het anti-systeemdenken leeft, maar reorganiseert zich. Niet via de bekende boze gezichten, maar via nieuwe gezichten met iets nettere pakken.
En die indrukwekkende winst van D66? Die lijkt bij nader inzien eerder op een electorale harmonica dan op een structurele trend. De afgelopen jaren ging de partij op en neer van 12 naar 24, naar 9, naar 26 zetels. Het is een partij die het goed doet als de omstandigheden erom vragen: bij gebrek aan beter, uit strategische overwegingen, of als tegenwicht in onzekere tijden. Maar wat vandaag voelt als een doorbraak, kan morgen alweer vervlogen zijn.
Kijk je met een iets langere blik, dan zie je een ander patroon: sinds 2002 komt Nederland steeds weer terug bij een cultureel-rechts moment. Of het nu de LPF, PVV, FvD of BBB heet—de terugkerende thema’s zijn identiteit, migratie, wantrouwen richting de overheid, en het gevoel dat “het land niet meer van ons is”. Niet iedereen wordt steeds rechtser, maar de onderwerpen die rechts groot maken, blijven dominant terugkomen.
Opmerkelijk genoeg tonen data van het SCP aan dat de ervaren dreiging van migratie sinds 2002 niet is toegenomen—eerder gedaald. En toch is het gevoel dat het erger is dan ooit springlevend. Dat komt omdat politiek niet draait om gemiddelden, maar om wat gevoelsmatig belangrijk is. Om incidenten die uitvergroot worden, om mediaframes, om het idee dat niemand meer grip heeft op de situatie. Dat is de ruimte waarin partijen floreren die “controle” beloven, al is het met de botte bijl.
En alsof dat allemaal nog niet ingewikkeld genoeg is, doemt er aan de overkant van de oceaan een nog zorgwekkender fenomeen op: de strategie om verkiezingen te laten functioneren als decorstuk in plaats van fundament. In de Verenigde Staten werkt de rechterflank inmiddels openlijk aan een bestuurlijke revolutie—Project 2025—die niet draait om stemmen winnen, maar om macht verankeren. De echte strijd speelt zich af binnen de bureaucratie: topambtenaren vervangen, instanties ontmantelen, de uitvoerende macht versterken ten koste van wetgevende en rechterlijke controle.
Het klinkt als dystopisch Amerikaans spektakel, maar de ideeën waaien over. Het libertaire gedachtegoed van figuren als Peter Thiel—minder overheid, meer markt, sterke leider, weg met de regels—duikt op in Europese rechtse partijen. Bij ons komt het verpakt in termen als “kartel”, “deep state”, “rechters als activisten”, en “de EU als dictatuur”. Het verkoopt goed onder de vlag van gezond verstand, maar is in de kern een aanval op de democratische rechtsstaat.
Wat gebeurt er als dit denken voet aan de grond krijgt in Nederland? Dan zie je drie dingen gebeuren. Bestuur wordt afbraak: niet verbeteren, maar slopen om daadkracht te tonen. Vrijheid wordt selectief: minder bescherming voor de zwakkeren, meer ruimte voor de machtigen. En democratie verandert van een levendige cultuur in een dode procedure: verkiezingen blijven, maar de spelregels worden zodanig aangepast dat echte tegenmacht verdwijnt.
En dan is de centrale vraag niet meer: “Wat stemmen we bij de volgende verkiezingen?”, maar: “Willen we nog een land waarin we politieke tegenstanders als medeburgers zien—of alleen als vijanden die we moeten verslaan?” Dat is de echte breuklijn. De verkiezingsuitslag van oktober 2025 toont ons beide gezichten van het electoraat. Ja, we kunnen terugkeren naar bestuur en redelijkheid. Maar nee, het anti-systeemdenken is niet verdwenen. Het zoekt en vindt nieuwe vormen, telkens weer.
Juist daarom is het belangrijk om die gesprekken te blijven voeren. Aan tafel, met vrienden. Juist omdat je het niet altijd met elkaar eens bent. Juist omdat we geen vanzelfsprekende democratie meer hebben, maar een die telkens opnieuw verdedigd moet worden. Met debat, met respect, met nuance.
En met het besef dat vrijheid en democratie niet uit elkaar getrokken mogen worden—hoe aantrekkelijk sommige stemmen dat ook willen maken.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.