
Bij de koffie begon een Israëlische vrouw die ik ken te huilen. „Ik ben 42,” zei ze, „en mijn hele volwassen leven ben ik gegijzeld door Bibi.”
Benjamin Netanyahu is niet al die jaren premier van Israël geweest. Maar zelfs wanneer hij niet aan de macht was, wist de Israëlische politiek zich maar zelden aan zijn aantrekkingskracht te onttrekken. Voor of tegen hem: het publieke leven bleef zich telkens weer rond zijn persoon organiseren.
Hongaren weten hoe dat voelt. Zestien jaar lang was Viktor Orbán niet alleen de premier van Hongarije, maar het bepalende gegeven van de Hongaarse politiek. Instituties voegden zich naar hem, tegenstanders definieerden zichzelf tegenover hem, en discussies bleken uiteindelijk telkens weer over hem te gaan.
Op 12 april kwam daar een einde aan. De opkomende Tisza-partij van Péter Magyar versloeg Fidesz, na zestien ononderbroken jaren aan de macht. Volgens de definitieve uitslag behaalde Tisza 141 van de 199 zetels in het parlement: een tweederdemeerderheid.
De verleiding is groot om daar een eenvoudig bevrijdingsverhaal van te maken: de dominante leider viel, de betovering werd verbroken, de democratie keerde terug. Maar politieke systemen laten gewoonten na. Orbáns meest duurzame erfenis zou weleens de manier kunnen zijn waarop Hongaren hebben geleerd zich politiek überhaupt voor te stellen.
Dat is ook het dilemma van Magyar. Oppositiebewegingen die het opnemen tegen sterk gepersonaliseerde politieke systemen komen vaak tot de conclusie dat ook zij een protagonist nodig hebben: iemand die uiteenlopende grieven kan samenbrengen tot een politieke kracht. Maar de eigenschappen die een opstandige beweging aan de overwinning helpen, zijn niet noodzakelijk dezelfde als die nodig zijn om daarna een pluralistische orde op te bouwen. Campagnes belonen concentratie van macht; democratie is juist afhankelijk van de spreiding ervan.
Een uitdager moet zich misschien onmisbaar maken om te kunnen winnen. Democratisch regeren vereist uiteindelijk dat hij bewijst dat hij dat niet is.
Voor mensen van mijn generatie betekende Orbáns opkomst een breuk, omdat wij ons andere regeringen en andere mogelijkheden herinneren. Veel van mijn studenten, inmiddels in de twintig, kunnen dat niet. Hun politieke volwassenwording voltrok zich vrijwel volledig onder Fidesz. Orbán was er gewoon, even onontkoombaar als het weer.
Macht kan daardoor iets afstandelijks en duurzaams gaan lijken; politieke participatie iets nobels maar vergeefs; instituties iets wat gekaapt of irrelevant is. Politiek wordt iets wat met jou gebeurt, in plaats van iets waaraan je zelf deelneemt.
Ik weet hoe diep zoiets zich in de geest kan nestelen. Vijf jaar lang heb ik talloze gesprekken met Orbán gevoerd waarin ik met hem in discussie ging en hem probeerde ervan te overtuigen een andere koers te varen. Al die gesprekken vonden plaats in mijn dromen.
Voor- en tegenstanders beleefden Orbáns systeem verschillend, maar beiden leerden zich op hetzelfde zwaartepunt te oriënteren. Loyalisten lazen de signalen die ervan uitgingen; critici hielden het voortdurend in de gaten en definieerden zichzelf ertegenover.
Partijen die jarenlang tegenover een dominante machtsmachine staan, hebben de neiging ook zichzelf sterk te centraliseren. Strakke regie over de boodschap wordt een kwestie van overleven, meningsverschillen kunnen op sabotage gaan lijken, en zelfbeperking op iets waarover na de overwinning wel kan worden gesproken.
Daarom is de uitdaging voor Hongarije groter dan alleen het terugdraaien van Orbáns beleid. Een regering die is gekozen om democratische instituties te herstellen, moet juist beperkingen accepteren op het moment dat zij die het gemakkelijkst zou kunnen omzeilen: het parlement versterken, ook wanneer zij het domineert; onafhankelijke media beschermen, ook wanneer die de regering aanvallen; en instituties scheppen waarvan het gezag niet afhankelijk is van hun nabijheid tot de premier.
Oudere Hongaren spreken begrijpelijkerwijs over herstel: instituties opnieuw opbouwen, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht herstellen, terugkeren naar democratische normaliteit. Maar „terugkeren” betekent iets anders wanneer je 25 bent. Je kunt niet terugkeren naar een politieke wereld waarin je nooit hebt geleefd. Voor jongere Hongaren kan de democratie niet simpelweg worden hersteld; zij moet voor het eerst werkelijk worden.
Dat onderscheid is ook buiten Hongarije van belang. Tegenstanders van gepersonaliseerd populisme presenteren herstel vaak als hun programma. Maar generaties die zijn opgegroeid te midden van democratische erosie hebben misschien nauwelijks herinneringen aan de normaliteit die zij geacht worden te herstellen. Democratische politiek moet laten zien dat spreiding van macht niet hoeft te betekenen dat een regering vleugellam wordt, dat meningsverschillen de staat niet hoeven te bedreigen en dat het verliezen van verkiezingen niet hetzelfde is als het verliezen van het land.
Succes zou bovendien moeten betekenen dat politiek minder allesoverheersend wordt. Het grootste deel van het democratische leven speelt zich niet af op verkiezingsavonden, maar in lokale bijeenkomsten, in kranten en in discussies over scholen, begrotingen en de publieke ruimte. In een gezonde politieke orde kunnen burgers het zich veroorloven minder aandacht aan de leider te besteden, omdat minder afhangt van wat die leider wil. Gepersonaliseerde macht leert precies de tegenovergestelde les. Zelfs verzet kan een vorm van afhankelijkheid worden.
En zo brengt de Hongaarse ervaring mij terug bij mijn gesprek over Israël. Israëliërs gaan op 27 oktober naar de stembus voor verkiezingen waarin Netanyahu opnieuw een groot deel van het politieke landschap beheerst. Wat de kiezers ook beslissen, de Hongaarse ervaring werpt een vraag op die zal blijven bestaan wanneer zijn lange politieke tijdperk uiteindelijk ten einde komt: kan het politieke leven opnieuw worden georganiseerd rond instituties en concurrerende belangen, in plaats van rond de aanwezigheid — of afwezigheid — van één man?
Het verdwijnen van een dominante politieke figuur betekent niet dat ook de gewoonten verdwijnen die rond hem zijn ontstaan. Zijn aanhangers moeten zich een politiek leren voorstellen zonder de leider die zij als onmisbaar beschouwden, terwijl zijn tegenstanders moeten bepalen waar zij voor staan wanneer verzet tegen hem niet langer voldoende is om hen bijeen te houden. De Hongaarse ervaring suggereert dat juist daar democratische vernieuwing werkelijk begint: niet door de ene dominante figuur te vervangen door een andere, maar door instituties en politieke bewegingen op te bouwen die niet langer zo’n figuur nodig hebben.
De tranen van mijn vriendin waren om de tijd die haar, zo voelde het, was afgenomen. De jongere generatie van Hongarije, nu verlost van Orbán, kan niet op precies dezelfde manier rouwen, omdat velen geen herinnering hebben aan een ander politiek volwassen leven waaraan zij kunnen afmeten wat verloren is gegaan. Hun uitdaging is nu niet een oude normaliteit te herstellen, maar iets te scheppen wat zij nooit hebben meegemaakt: een publiek leven waarin de politiek aan de burgers toebehoort zonder hen volledig in beslag te nemen, en waarin geen enkele leider zo onmisbaar wordt dat een heel land zich om hem heen moet organiseren.