
Wellicht het aller, allerkleinste museumpje van Nederland is gewijd aan zeer grote daden, die van de Geuzen-verzetsgroep.
Geïnitieerd door Bernard IJzerdraat, ooit één van de eersten die zich na de aanval in 1940, verbijsterd en ontzet door het bombardement op Rotterdam, tegen de vijand keerde. Onder zijn bezielende leiding organiseerde zich een groep die hulp bood aan de getroffenen en sabotage-diensten begon te plegen in de regio.
Het is gevestigd in het Vlaardingse gemeentehuis, recht tegenover een zwartgallig monument. Achttien grijze, stenen vlakken wijzen de locatie aan. Ze staan voor de achttien verzetsstrijders die op de Waalsdorpervlakte hun einde vonden. Twee nisjes zijn het, meer niet. Een tragische verzetshistorie, efficiënt en zeer liefdevol vormgegeven. Meer dan twee bezoekers kunnen er niet in en dat geeft iets mee van het beklemmende gevoel wat de opgesloten geuzen daar, en in het Oranje-hotel, ervaren hebben. Claustrofobisch, naargeestig, een zekere dood in het verschiet.
2026. Ieder jaar minder vlaggen halfstok. Mijn woning draagt noch bij hoogtij, noch in rouwtijd een vlag.
Ook ik ben schuldig. Op de weg terug van het nationale rouwen die overdonderende stilte in de stad. Ingehouden pas bij glimmende stolpersteinen, omgeven door vrolijke kinderkrijttekeningen. Zouden de mensen die hier wonen hun kinderen al hebben uitgelegd wat die steinen betekenen? Hier woonde een zesenvijftigjarige en en een vijfentwintigjarige mens. Beiden in 1943 afgevoerd naar Westerbork en vermoord in Auschwitz. Ontluisterend, gruwelijk en blijvend onvoorstelbaar.
Wellicht het belangrijkste onderdeel van de schaamte der overlevenden. Die altijd maar weer onvoorstelbaarheid der gebeurtenissen waar boeken, films en geschiedschrijving helemaal niets aan afdoen. Nog altijd worden die gevoelens intens beleeft, alsof we zelf schuldig zijn.
De kranten maken al de hele week gewag van historisch geleden leed. Ieder jaar eren nazaten hun gevallen voorvaderen. Wrange, beladen herinneringen. Oud leed en nog altijd niet geheelde wonden, vergeeld papier. Een relatief korte oorlogstijd doch dermate bruut dat wij tachtig jaar later nog altijd tollen van de uitgedeelde klap. Hoe meer men weet, hoe minder men ervan begrijpt.
In deze stad zowat geen straat zonder die meedogenloze stolpersteinen. Meedogenloos omdat ze als beschuldigende koperen vingers vanuit de straat oprijzen. Ons, overlevenden, wijzen op onze fortuinlijke situatie. Onze ouders en grootouders overleefden en daarom leven wij nu nog. Her- en gedenken wij nog. Een paar korte minuten waarin de natie is verenigd in een algehele rouwbeleving. Contemplatie die ons dwingt de wereld van toen én nu naast elkaar te beschouwen.
Want hoeveel oorlogen woeden nog altijd, oorlogen waar afkomst en religie factoren zijn? Leerde de mensheid eigenlijk van die gitzwarte periode van 1940-1945? Het beschamende antwoord is nog altijd; NEE. Ondanks alle verschrikkingen van die dagen en historisch besef van eerder oorlogsleed blijft de mensheid geteisterd door een onvoorstelbare hoogmoed, zijn korte moment op aarde oneigelijk gebruikt door anderen leed te berokkenen, oorlog te voeren, schade te doen en het bewijs te leveren van een gefaalde beschaving.
In feite zelfs het bewijs van een failliet soort. De Mens als gecultiveerd wezen waar slechts een beschavingsvernisje het kleine verschil maakt tussen mens en beest. We hebben ons slechts met brutaal geweld een positie verworven aan de top van het dierenrijk.
Nooit bijgeleerd.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.