
Februari is Black History Month. Een maand waarin Nederland stilstaat bij een verleden dat te lang is verzwegen. We herdenken, we benoemen, we kijken veelal achteruit. Maar achteruit kijken is niet genoeg wanneer je op hetzelfde punt uitkomt en niet vooruit beweegt.
De vraag die Black History Month elk jaar oproept is: wat is ons aangedaan? Een noodzakelijke vraag. Maar er is een tweede die minstens zo fundamenteel is en vrijwel nooit klinkt: wat bestond er vóórdat ons iets werd aangedaan, en wat is daarvan nog intact?
Wie alleen achteruit kijkt naar de breuk, ziet het verleden als archief van verlies. Wie ook kijkt naar wat eraan voorafging, ontdekt iets anders. Niet alleen geschiedenis, maar fundament.
De doorwerking van het slavernijverleden
In Nederland wordt steeds vaker gesproken over de doorwerking van het slavernijverleden, in beleid, onderwijs, politiek en op herdenkingen. We spreken over intergenerationeel trauma, over blijvende ongelijkheid, over verhalen die te lang zijn verzwegen. Dat gesprek is noodzakelijk.
Maar wat als we het verleden vóór het kolonialisme zouden ontleden, en dát zou doorwerken? Niet de doorwerking van schade, maar van wat eraan voorafging. Van de beschavingen, de kennisstelsels en de manieren van samenleven die duizenden jaren bestonden vóór het eerste Europese schip voor de kust verscheen.
Ons debat heeft daar nauwelijks taal voor, geen kader, geen leerstoel. We hebben honderden onderzoeken naar de doorwerking van de wond, en vrijwel niets naar de doorwerking van wat de wond niet heeft kunnen vernietigen. Dat is een blinde vlek met consequenties.
Het frame dat het zicht beperkt
Het huidige debat over historisch onrecht is georganiseerd rond herstel, erkenning, compensatie en gelijke kansen. Maar wanneer het gesprek uitsluitend draait om beschadiging, wordt de identiteit van mensen impliciet verankerd in tekort. De nazaat wordt de beschadigde, de ontvanger van hulp, de aanvrager van erkenning bij een systeem dat die verleent, als gunst.
Dat frame beperkt niet omdat het onwaar is, maar omdat het incompleet is. Het plaatst mensen in de positie van degene die moet worden gerepareerd en het systeem in de positie van behandelaar. Die verhouding herhaalt, in zachtere vorm, precies de machtsstructuur die ze beoogt te corrigeren. Het systeem hoeft zo alleen af en toe een gebaar te maken, een excuus, een museum, een commissie, symbolen die precies genoeg zijn om druk te verlichten en te weinig om de structuur te raken.
Wie uitsluitend kijkt naar wat is afgenomen, ziet minder scherp wat is behouden. En juist dat behoudene, de manieren van zorgen, van weten en van samenleven die in mensen zelf werden bewaard, vormt de werkelijke basis waarop gemeenschappen hun leven vormgeven. Niet het beleid, niet de subsidie, maar de doorgegeven kennis die ouder is dan de breuk.
Dit verleden verdient dezelfde intellectuele strengheid waarmee we koloniaal geweld documenteren, dezelfde financiering waarmee we traumaonderzoek faciliteren. Want als doorwerking een reëel principe is, en daarover bestaat wetenschappelijke consensus, dan werkt niet alleen pijn door. Dan werkt ook kracht door. Maar niet vanzelf, niet als we die kracht niet eerst ontleden, bestuderen en herkennen.
Het woord dat zijn eigen antwoord bevat
In het Nederlands bestaat een woord dat precies deze verschuiving in zich draagt, helen. We gebruiken het als werkwoord, iets repareren, een wond die geneest. Maar het woord wijst niet naar reparatie, het wijst naar een staat. Heel, volledig, compleet.
Dat verschil verandert alles. Want als helen terugkeren naar heelheid betekent, dan veronderstelt het dat heelheid er al was. Dan is het uitgangspunt niet gebrokenheid, maar volledigheid. Dan begint het gesprek niet bij wat er kapot is, maar bij de herkenning van wat intact bleef.
Op bijeenkomsten over het slavernijverleden stelt mijn partner Auset Ankh Re regelmatig een vraag aan de zaal. Zijn onze voorouders ontmenselijkt?
De zaal antwoordt vaak: ja. Maar zij zegt: ze zijn onmenselijk behandeld, maar ontmenselijkt? Nee. Want menselijkheid is niet iets dat een ander kan geven of afnemen.
En dan de vraag die de stilte brengt. Als hun menselijkheid werkelijk vernietigd zou zijn, hoe hebben zij dan mensen kunnen voortbrengen? Hoe hebben zij kinderen gebaard, liefde gegeven, cultuur doorgegeven? Ons bestaan is het bewijs dat ontmenselijking niet volledig is geslaagd.
Dit perspectief verschuift het beginpunt van de geschiedenis. Niet de plantage, maar de mens. Niet de breuk, maar het bestaan dat eraan voorafging.
Waar begint herstel werkelijk?
In debatten over de doorwerking van het slavernijverleden klinkt vroeg of laat dezelfde vraag: waar moeten we beginnen? Het antwoord is vaak: bij erkenning, excuses, compensatie en gelijke kansen.
Maar er is een ander beginpunt, dieper en minder benoemd. Bij het besef dat er ooit een vorm van heelheid bestond, en dat die niet volledig is verdwenen.
Concreet betekent dit dat we de identiteit van mensen niet laten beginnen bij de daad van de onderdrukker, maar bij het bestaan dat die daad voorafging. We kijken nu vooral waar we staan, niet hoe ver we gevallen zijn.
Bedolven is niet verdwenen.
Maar er is een complicatie die eerlijk is om te benoemen. Veel van die oorspronkelijke kennis is niet meer direct toegankelijk. Generaties van onderdrukking en ontworteling hebben ervoor gezorgd dat de verbinding met het prekoloniale verleden niet vanzelfsprekend is. Dat maakt het werk niet minder urgent, maar juist noodzakelijker. Wat bedolven is, kan worden opgegraven. Wat vergeten is, kan opnieuw worden geleerd. Maar alleen als we besluiten te kijken.
Voorbij de breuk, wat dit voor iedereen betekent
Als je werkelijk beseft dat je voortkomt uit een traditie die ouder is dan de breuk, kun je moeilijk volhouden dat de ander buiten je valt. Een samenleving die groepen structureel uitsluit, ondermijnt daarmee ook zichzelf.
Elke migrant die in Nederland aankomt is niet iemand zonder verleden, maar iemand met een voorgeschiedenis die deze samenleving verrijkt op het moment dat die wordt erkend. De vraag is dus niet alleen hoe we helpen, maar ook wat we missen zolang we hun geschiedenis reduceren tot het moment waarop die de onze kruiste.
De eerste vraag
De eerste vraag is niet waar we beginnen met herstellen. De eerste vraag is waar we beginnen met kijken.
Niet alleen hoe pijn doorwerkt, maar wat gebeurt er wanneer we het verleden vóór de kolonisatie ontleden en dát laten doorwerken. Niet alleen wat is gebroken, maar wat is bedolven en nooit verdwenen.
Black History Month nodigt uit om achteruit te kijken, terecht. Maar laat het ook een moment zijn om verder te kijken dan de breuk, naar het verleden dat eraan voorafging en naar de toekomst die ontstaat wanneer we dat verleden even serieus nemen als de wond.
Want een samenleving die alleen haar wonden bestudeert, ontzegt zichzelf een ander inzicht, dat mensen en gemeenschappen ouder zijn dan hun breuken en dat heelheid geen eindpunt is maar een uitgangspunt.
De eerste vraag is waar we beginnen met kijken.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.