
Niet iedere Nederlander bezat een plantage. Maar vrijwel de hele samenleving functioneerde binnen een economie die door gedwongen Afrikaanse arbeid werd gevoed. Slavernij werd afgeschaft; de opgebouwde voorsprong niet.
Voor veel Nederlanders is de relatie tot het slavernijverleden niet direct zichtbaar: hun voorouders waren, voor zover bekend, geen kolonisten of plantagehouders. Tegelijkertijd profiteerde de Nederlandse samenleving wel als geheel, direct en indirect, van de welvaart die uit slavernij en kolonialisme voortkwam. Daardoor is de grens tussen directe betrokkenheid, maatschappelijk profijt en hedendaagse verantwoordelijkheid minder helder dan het publieke debat vaak doet vermoeden. Juist daarom moeten we niet alleen kijken naar individuele families, maar naar de economische werking van het systeem als geheel.
De Trans-Atlantische Afrikaanse Mensenhandel, was geen afgesloten verdienmodel van enkele rijke families. Via Nederlandse schepen werden naar schatting zo'n 600.000 Afrikanen over de oceaan gevoerd. Het was onderdeel van een economische keten die in Nederland werkgelegenheid, handel, belastinginkomsten en vermogensopbouw voortbracht.
De plantage was het beginpunt
Suiker, koffie, cacao, thee en specerijen werden in de koloniën verbouwd én voorbewerkt. Suikerriet moest na het kappen worden geperst en ingekookt. Koffiebessen werden geplukt, gewassen, gedroogd en gepeld. Cacao werd gefermenteerd en thee moest worden verwerkt voordat deze producten de maandenlange zeereis konden doorstaan. Dat was zware, gevaarlijke én gespecialiseerde arbeid.
Eenmaal in Nederland begon een volgende economische cyclus. Ruwe suiker ging naar raffinaderijen. Koffie ging naar branderijen. Producten werden gelost, opgeslagen, vervoerd, verzekerd, geveild, verwerkt, verpakt en verkocht. Daar waren scheepsbouwers, zeelieden, havenarbeiders, kuipers, pottenbakkers, vervoerders, winkeliers, bakkers en koffiehuishouders voor nodig. Ook ontstonden werkzaamheden voor inkopers, verkopers, boekhouders, notarissen, verzekeraars, financiers en ambtenaren.
De bakker bezat misschien geen plantage. De boekhouder verhandelde geen mensen. De timmerman voer mogelijk nooit naar Afrika. Maar wanneer hun klanten, werkgevers of opdrachtgevers aan koloniale producten verdienden, werden ook hun werkzaamheden mede betaald uit de waarde die Afrikaanse mensen onder dwang voortbrachten.
De plantage was dus niet het eindpunt van de slavernijeconomie. Zij was het beginpunt van een keten waarin in Nederland steeds opnieuw waarde, inkomen en vermogen werden gecreëerd.
Het geld bleef circuleren
Werknemers besteedden hun loon bij andere ondernemers. Bedrijven investeerden hun winsten in grond, panden, schepen en nieuwe ondernemingen. Overheden ontvingen invoerrechten, accijnzen, havengelden en andere belastingen.Economen noemen dit een multiplicatoreffect: inkomsten in de ene sector creëren omzet, werkgelegenheid en investeringsruimte in andere sectoren.
Hoe groot dat was, is inmiddels berekend. Volgens de historici Pepijn Brandon en Ulbe Bosma hing in 1770 ongeveer 5 procent van de economie van de Republiek samen met slavernij; in Holland was dat zo'n 10 procent. De koloniale opbrengsten bleven daarom niet opgesloten in de boekhouding van plantagehouders en handelaren. Ze verspreidden zich via lonen, opdrachten, consumptie, kredietverlening, investeringen en belastingen door de Nederlandse economie.
Ook aan het lenen zelf werd verdiend. In de achttiende eeuw leenden Amsterdamse beleggers tientallen miljoenen guldens aan planters in Suriname, met de plantages én de tot slaaf gemaakten als onderpand. De rente werd opgebracht door hun arbeid.
Ook mensen die niet rechtstreeks bij de koloniale handel betrokken waren, konden daar indirect economisch voordeel aan ontlenen. Een ondernemer kon verdienen aan klanten die hun inkomen in de scheepvaart of raffinage ontvingen. Een werknemer kon worden betaald door een bedrijf dat opdrachten uitvoerde voor koloniale handelshuizen. Een stad kon publieke investeringen doen vanuit een belastingbasis die mede door koloniale bedrijvigheid was vergroot.
Niet iedere weg, school, brug of ziekenhuisrekening kan rechtstreeks aan één plantage worden gekoppeld. Zo werkt een economie niet. Geld wordt samengebracht, geïnvesteerd en opnieuw uitgegeven. Maar de ontwikkeling van de Nederlandse handelspositie, infrastructuur en instituties kan evenmin volledig worden losgemaakt van de koloniale economie waarbinnen die ontwikkeling plaatsvond.
Welvaart werkt als rente op rente
Daarom kan de Trans-Atlantische Afrikaanse Mensenhandel economisch nooit werkelijk als een afgesloten hoofdstuk worden beschouwd. Een inkomstenbron kan verdwijnen, terwijl wat ermee is opgebouwd blijft bestaan en nieuwe ontwikkeling blijft voortbrengen. Een aangelegde weg maakt nieuwe handel mogelijk. Een haven trekt bedrijven aan. Een ziekenhuis redt levens. Onderwijs geeft kinderen toegang tot kennis en werk, ook wanneer hun ouders weinig bezitten. Grond, woningen en bedrijfspanden behouden waarde en kunnen later als bezit, onderpand of startkapitaal worden ingezet.
Historische welvaart werkt als rente op rente. Koloniale opbrengsten werden niet alleen uitgegeven. Ze werden ook omgezet in ondernemingen, handelsnetwerken, vastgoed, kennis, infrastructuur en instituties. Die vormden vervolgens de basis voor nieuwe bedrijvigheid, belastinginkomsten en maatschappelijke ontwikkeling.
Zelfs wie zonder persoonlijk vermogen werd geboren, kon in Nederland profiteren van publieke voorzieningen die eerdere generaties hadden opgebouwd. Een kind dat kosteloos onderwijs kan volgen, ontvangt geen geld uit een plantage. Het erft wél toegang tot een samenleving waarvan de ontwikkelingsmogelijkheden mede binnen een koloniale economie zijn gegroeid. Dat is intergenerationele overdracht op maatschappelijk niveau.
Dit betekent niet dat zonder slavernij nergens een school, ziekenhuis of weg had kunnen ontstaan. Zo'n alternatieve geschiedenis kan niemand bewijzen. Het betekent wél dat de ontwikkeling die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden niet achteraf kan worden losgemaakt van de economie waarbinnen zij mede werd gefinancierd. Waar Nederland kapitaal, kennis en infrastructuur kon opbouwen, verloren andere samenlevingen mensen, arbeid, grondstoffen, zeggenschap en ontwikkeltijd. Aan beide kanten werkten de gevolgen generaties lang door.
Verantwoordelijkheid zonder persoonlijke beschuldiging
Niet iedere Nederlander was rijk. Veel arbeiders leefden zelf in armoede, werden uitgebuit en verrichtten zwaar werk. Die werkelijkheid kan naast het bredere maatschappelijke profijt bestaan. Een arbeider kon onder zware omstandigheden werken en tegelijkertijd inkomen ontvangen uit een koloniale productieketen. Een familie kon geen plantage bezitten en toch wonen in een stad waarvan de handel, werkgelegenheid en voorzieningen mede door koloniale inkomsten groeiden.
Individuele armoede sluit maatschappelijk profijt niet uit. Verantwoordelijkheid vraagt daarom niet om persoonlijke schuld. Een samenleving kan erkennen dat haar instituties, mogelijkheden en opgebouwde welvaart mede uit historisch onrecht zijn voortgekomen, zonder mensen persoonlijk schuldig te verklaren aan gebeurtenissen van vóór hun geboorte.
Het gaat om het begrijpen van een gedeelde geschiedenis met een ongelijk verdeelde erfenis. De mensen die de oorspronkelijke waarde voortbrachten, ontvingen geen loon, konden geen grond kopen, geen onderneming opbouwen en hun kinderen geen financieel fundament meegeven. Bij de afschaffing in 1863 betaalde de Nederlandse staat compensatie: 300 gulden per tot slaaf gemaakte in Suriname, aan de eigenaren. De vrijgemaakten kregen niets en moesten nog tien jaar onder staatstoezicht doorwerken.
In Nederland kon diezelfde waarde zich vermenigvuldigen: van product naar handelswaar, van handel naar loon, van loon naar consumptie, van winst naar bezit en van belasting naar publieke ontwikkeling. De ene samenleving hield bedrijven, gebouwen, kennis, infrastructuur en opgebouwd vermogen over. Veel nazaten van de mensen die dit mede mogelijk maakten, erfden de gevolgen van onteigening, uitsluiting en een eeuwenlang aangetast mens- en zelfbeeld.
Dat maakt dit geen eenvoudig verhaal over "goede" en "slechte" mensen. Het gaat over een economisch systeem dat mensen verschillende posities, kansen en erfenissen gaf. De economische waarde van slavernij stopte niet bij de mensenlichamen, de arbeid die zij kosteloos leverden en de nieuwe mensenlichamen die zij in slavernij baarden. Die economische waarde ging niet alleen door, maar groeide in Nederland, omdat de slavernij ook hier werk opleverde: in raffinaderijen, havens, scheepsbouw, winkels en kantoren. En de opbrengsten vloeiden verder, naar schatkisten, wegen, educatie, huizen, wetenschap, gezondheidszorg en zelfs de rente. In de achttiende eeuw leenden Amsterdamse bankiers en beleggers via zogeheten plantageleningen, de "negotiaties", tientallen miljoenen guldens aan planters in Suriname. De plantages en de tot slaaf gemaakten dienden als onderpand, en de rente werd opgebracht door hun arbeid. Gewone beleggers in Nederland konden daarin participeren zonder ooit een plantage te zien.
Slavernij werd afgeschaft maar de economische doorwerking bleef bestaan. Nederland stond niet buiten dit systeem maar draaide erop.