
Nederlandse musea bieden volop gelegenheid om eens een mentale douche te nemen, buiten de eigen bubbel of fixaties; het Nederlandse museumlandschap is dan ook een waardevol collectief bezit, rijk aan onderwerpen en boeiende tentoonstellingen. En het is waar: de boekentafels in veel museumwinkels ogen net iets te vaak als opdringerige evangelisatie-stands voor een wereldbeeld dat volledig in beslag lijkt genomen door toxische mannelijkheid, (post-)kolonialisme, patriarchaat, gemarginaliseerde seksuele minderheden en hetslavernijverleden. Alsof het erin gehamerd moet worden: de moderne catalogus van doodzonden. Modes waaien doorgaans vanzelf weer over. Dat betekent overigens niet dat die tentoonstellingen niet de moeite waard zijn — en mogelijk geldt dat ook voor de betreffende boeken. Al lijkt het geen verkeerd idee om er ook eens het prikkelende boek Links is niet woke van de filosoof Susan Neiman naast te leggen.
Mijn eigen recente museumbezoek bracht me bij twee fraaie, actuele tentoonstellingen die laten zien hoe simplistisch het is om religie en moderniteit als elkaars absolute tegendeel te beschouwen. In geseculariseerde, progressieve milieus leeft dat misverstand nog geregeld, niet zelden gecombineerd met de gedachte dat religie — opgevat als per definitie primitief en repressief — vanzelf zal verdwijnen naarmate welvaart en welzijn toenemen, een uit het marxisme overgeërfde theorie. Die twee tentoonstellingen, die ook los daarvan zeer de moeite waard zijn, stemmen tot nadenken.
Van Bauhaus naar Mekka
Op de valreep. In het Design Museum Den Bosch — sowieso een aanrader — is nog de fascinerende tentoonstelling Van Bauhaus naar Mekka te zien. Nog te bezoeken tot en met het paasweekeinde, en anders grotendeels in boekvorm te bezichtigen. In 1919 ontstond het Bauhaus in Weimar, Duitsland, als een beweging die radicaal wilde breken met overbodige versiering. Vorm moest de functie volgen, en kunst moest zich verbinden met techniek, industrie en het dagelijks leven. Dat was ook zichtbaar in de gebouwen zelf: veel licht, lucht en wit, open ruimtes, strakke lijnen, platte daken en een bijna kale eenvoud die transparantie, orde en een nieuw begin moest uitstralen.

De eerste modernistische ‘witte’ Bauhauswijk in Stuttgart, de Weißenhofsiedlung, werd door de nazi’s weggezet als een ont-aarde Arabische infiltratie in de Duitse (Heimat-)cultuur, even verwerpelijk als het kosmopolitische jodendom. De nazi’s verdwenen, de invloed van Bauhaus bleef: Europa kent inmiddels volop witte huizen en interieurs die deze “Arabische mode” in meer of mindere mate volgen.
De tentoonstelling laat zien hoe de idealen van het modernisme een onverwacht vervolg kregen in de architectuur rond de hadj, de bedevaart naar Mekka, en wel via de ontwerpen van de tot de islam bekeerde Duitse architect Mahmoud Bodo Rasch. Zijn werk staat onder invloed van het Bauhaus en vooral van Frei Otto, de ontwerper van de zwevende dakconstructie van het Olympisch Stadion in München.
Rasch ontwierp voor de hadj voorzieningen in en rond Mekka, in het bijzonder de ingenieus geconstrueerde tentenstad van Mina. Daarnaast verwierf hij bekendheid met zijn monumentale uitschuifbare parasols in Medina: een indrukwekkend spel, bijna een symfonieorkest, van schaduw, verkoeling en licht op een van dedrukste en heetste religieuze locaties ter wereld.
Volgens de tentoonstelling laat het werk van Rasch, onder het museumlabel ‘re-inventing tradition’, zien dat religieuze tradities zich grondig kunnen vernieuwen. Je vraagt je af: gaat het bij die vernieuwing alleen om vorm en esthetiek, of betreft die vernieuwingsbelofte ook de inhoud, bijvoorbeeld van de ethiek, die wel een upgrade kan gebruiken?
Het Design Museum schuwt normatieve kwesties niet. Terecht, want design belichaamt, net als techniek, altijd waardenkeuzes en is dus niet neutraal. Ik had het wel aardig gevonden als ergens in de tentoonstelling daarom minstens de vraag was gesteld — zonder meteen een oordeel uit te spreken - of architecten als Rasch niet het risico lopen te werken ter meerdere eer en glorie van het regime in Saoedi-Arabië. Dat biedt niet alleen onderdak aan het indrukwekkende spirituele ritueel van de hadj, maar laat ook onwelgevallige journalisten in stukken hakken. De vele bijdragen van westerse architecten aan het totalitaire China roepen overigens vergelijkbare, lastig te beantwoorden vragen op.
Remix van tradities
Naast de breuk met traditie (Bauhaus) en de heruitvinding en vernieuwing ervan (Rasch), besteedt de tentoonstelling summier aandacht aan de remix van tradities. Ontwerpers en kunstenaars putten daarbij uit een islamitische inspiratie en/of uit wortels in het Midden-Oosten. Zij verknopen tradities met elkaar en verrijken zo via kruisbestuiving het Nederlandse en westerse cultuurlandschap. Daarvan laat het museum mooie voorbeelden zien: de biofiele ontwerpen van het bureau NousNous, waarin de grenzen tussen binnen en buiten vervagen om herstellende en helende omgevingen te scheppen; twee werken uit het projectPerspectives van Siba Sahabi, een Duits-Iraanse ontwerper en kunstenaar, die laten zien hoe Europese en Midden-Oosterse kunsttradities met elkaar verweven zijn. Interessant is ook Dina Lebbar, een in Casablanca, opgegroeide ontwerpster, die met Majmaa hedendaagse technologie en Marokkaans vakmanschap samenbrengt. Majmaa is een interactieve muzieksynthesizer in de vorm van een kleine tafel, die via messing aanraaksensoren klanken van traditionele instrumenten zoals de oed oproept. Het zou mooi zijn als het museum nog eens een aparte vervolgtentoonstelling wijdde aan deze boeiende remix van tradities.
Weg van nativisme en nostalgie
Tegenover de nativistische droomfabriek van populisten, die de politieke markt opgaan met de illusie dat de geschiedenis zich laat terugdraaien, maar misschien ook tegenover het nostalgische deel van mijn eigen ziel, onderstreept Van Bauhaus naar Mekka hoe belangrijk dit besef is: de islam zal nooit meer uit Europa verdwijnen en maakt in allerlei vormen en via uiteenlopende dragers deel uit van het maatschappelijk en cultureel leven in Europa.
En als je er zelf geen deel van uitmaakt, leer er op een volwassen manier mee te leven, ook in politiek opzicht: welwillend en kritisch tegelijk. Welwillend en dus waarderend tegenover positieve bijdragen aan kunst, cultuur en samenleving. Tegelijkertijd zonder schroom kritisch op negatieve kanten van de islam en/of de opvattingen van haar dragers, net als tegenover andere grote religieuze tradities. De merkwaardige neiging in nogal wat progressieve milieu’s om alle kritiek als islamofobie te taboeïseren en die vervolgens te verbinden met de doodzonde racisme, blokkeert zo’n volwassen omgang. Niet minder dan de angstmythe van de islamisering van het Westen, waarmee radicaal rechts zielen probeert te winnen.
De werelden van Jan Toorop
De tweede tentoonstelling die in dit verband vermelding verdient, is de expositie De werelden van Jan Toorop in Museum Singer in Laren. Die loopt nog tot 10 mei. Ook deze tentoonstelling, die terecht groots en meeslepend mag heten, maakt duidelijk dat een simpele tegenstelling tussen moderniteit en religie onhoudbaar is.
Toorop was aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, in het nogal conservatieve Nederlandse kunstklimaat, een uitgesproken avant-gardekunstenaar met internationale allure: een grenzeloze vernieuwer die zich bewoog tussen stijlen, culturen en intellectuele werelden. Fascinerend is hoe hij zich pointillisme en art nouveau toe-eigende, er een eigen creatieve draai aan gaf en als netwerker ook anderen inspireerde.
Bij een breed publiek werd Toorop vooral bekend door zijn beroemde affiche voor Delftsche Slaolie uit 1894, een beeld dat zo iconisch werd dat de Nederlandse art nouveau er zelfs de bijnaam ‘slaoliestijl’ aan ontleende.
De tentoonstelling haalt Toorops deels Chinees-Javaanse achtergrond en zijn jeugd in Indonesië nadrukkelijk naar voren en laat zien hoezeer hij die waardeerde en in zijn kunst verwerkte. Hij is misschien wel een vroeg voorbeeld van de meervoudige identiteit van steeds meer Nederlanders — en van hoe vruchtbaar zo’n gemengde achtergrond kan zijn.
Zijn religieuze zoektocht mondt uit in het christendom, meer bepaald het katholicisme. Dat zag hij als de logische uitkomst van zijn levensweg als modern kunstenaar, geenszins als een breuk ermee. Hij bleef kunst van hoog niveau maken. De tentoonstelling toont daarvan een sprekend voorbeeld in Toorops kruisweg: de verbeelding van het lijden en sterven van de Christusfiguur in veertien schilderijen, in een mengeling van art nouveau en symbolisme. De reeks heeft normaal het interieur van een donkere kerk als thuisbasis, maar hangt in het Singer in vol ornaat aan de wand van een gang die over de volle lengte wordt overspoeld met daglicht dat door muurhoge ramen binnenvalt.
Onthand en verlegen
Nederlandse musea zijn soms nogal verlegen of onthand wanneer het gaat om het benoemen of tonen van een eventuele religieuze achtergrond van kunstenaars, alsof die een ziekte of afwijking zou zijn. Beide tentoonstellingen breken met dat eigentijdse museale taboe, en dat is winst.
Of je nu iets hebt met een religieuze traditie of er helemaal niets van moet hebben: beide exposities nodigen misschien ook uit tot de vraag wat je eigen, bescheiden bijdrage aan het goede, ware en schone kan zijn. Dat lijkt geen verkeerde vraag in een periode die ook wel als de Goede Week te boek staat.
Uiteraard kun je beide tentoonstellingen ook vanuit heel andere invalshoeken bekijken, bewonderen of je erdoor laten bevragen, want kunst is zo wijd als de werkelijkheid.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.