
Op zondag 21 juni, de langste dag, bood premier Jetten namens de regering excuses aan de Molukse gemeenschap aan. “Het werd tijd”, zei Jetten, en de Molukkers beaamden dat. Het was ook terecht dat deze excuses namens de regering waren. Het besluit voor de komst van 4000 Molukkers en hun gezinnen was in 1951 niet een besluit waar een hele parlementaire discussie aan vooraf ging, noch was het iets dat in de publieke opinie leefde. De komst was voor de Nederlandse bevolking net zo’n verrassing als voor de Molukse gemeenschap.
Wat is er gebeurd?
Toen in december 1949 Nederland, na moeizame onderhandelingen, de onafhankelijkheid van Indonesië aanvaardde, aanvaardde zij de onafhankelijkheid van de federatie van Indonesische eilanden. Dit tegen de zin van de Indonesische delegatie. Zij tekende echter om een afronding van besprekingen te verkrijgen. Waarom een federatie? Nederland dacht met een federatiestructuur gemakkelijker met een lid van de federatie handel te kunnen drijven. Binnen korte tijd hief Soekarno, de eerste president van Indonesië, de federatie op en schiep de eenheidsstaat Indonesië. In de kolonie Nederlands-Indië waren tienduizenden Molukkers soldaat of onderofficier in de KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Deze KNIL militairen vochten tegen het bevrijdingsleger van Indonesië voor het behoud van de kolonie.
Na de bevrijding, eind december 1949, werd een deel van deze militairen opgenomen in het Indonesische leger. Een ander deel vertrok, in het kader van de federatiestructuur, naar Ambon, het grootse eiland van de Molukken en vestigde daar op 25 april 1950 de vrije republiek Molukken, Republiek Maluku Seletan. Dit was tegen de zin van Indonesië die vervolgens de vrije Molukse republiek militair onderdrukte. Er was nog een derde groep Molukkers die nog niet besloten had of zij Indonesisch staatsburger wilden worden. Toen echter de vrije republiek in Ambon gevestigd was en zeker nadat Indonesië deze republiek onderdrukte, wilden zij ook naar Ambon om hun Molukse broeders te helpen.
Uiteraard wilde de Indonesische regering dat niet en ook de Nederlandse regering wilde, teneinde de goede handelsrelaties te behouden, dit verhinderen. De oplossing? Deze groep van 4000 werd ingedeeld in het Nederlandse leger en kreeg het militaire bevel naar Nederland te gaan met daarachter het idee dat ze, zo gauw dat mogelijk was, terug konden gaan naar de Molukken. Van dat laatste kwam niets terecht. Nederland wilde wel dat ze spoedig terugkeerden, maar dan als Indonesisch staatsburger en dat wilden deze Molukkers nou juist niet. Zij wilden naar de pas opgerichte Molukse republiek.
Als Jetten zijn excuses aanbiedt dan is het een excuus voor de schofterige manier waarop deze Molukse groep behandeld is. Aangekomen in de haven van Rotterdam werden ze op staande voet ontslagen en gehuisvest in kampen waaronder kamp Westerbork. De huizen waren vies en tochtig. De Molukkers kregen geen salaris maar eenmalig een bepaald bedrag en vervolgens 3 gulden per dag. Ze mochten niet werken noch omgeschoold worden, ze moesten gewoon hun tijd in het kamp uitzitten. De ex-militairen waren hun status, hun verdiensten en feitelijk alles kwijt. Er was ook geen Nederlandse groep of partij die voor hen opkwam afgezien van één: de politieke partij het GPV, Gereformeerde Politiek Verbond (later opgegaan in de ChristenUnie). Deze kleine, rechts-christelijke politieke partij, 1 a 2 % van de bevolking, richtte de stichting op ‘Door de eeuwen trouw’.
Elke keer als de Molukkers geweldloos demonstreerden, trommelde Door de eeuwen trouw ijverig mee. Al dit soort acties veranderden echter niets aan het regeringsbeleid. Het doel van deze acties was in feite zeer gematigd. Men eiste van de Nederlandse regering dat zij de Indonesische regering zou vragen enige ruimte te scheppen voor een semi-autonome Molukse republiek. De Nederlandse regering ging daar niet op in, nog geen decimeter. Je zou zeggen, het was toch een kleine moeite geweest; een beleefd briefje aan Soekarno of het ter sprake brengen van het Molukse verlangen tijdens handelsbesprekingen. Maar juist vanwege handelsbelangen negeerde Nederland elk geluid in die richting.
De Nederlandse bevolking tenslotte stond vrij onverschillig tegenover de kwestie of ze ergerde zich aan de groep. Een voorbeeld: in de beginjaren werd er in de kampen centraal gekookt, maar op een gegeven moment maakte Nederland daar een eind aan en moest elk gezin zelf koken. Toen de Molukse gemeenschap daartegen protesteerde, was de reactie van veel Nederlanders: “zie je wel, ze zijn nog te lui om zelf te koken”. Hadden ze zich wat meer verdiept in de kwestie, dan hadden ze kunnen weten dat het centrale koken voor de Molukkers het laatste symbool was dat zij een militaire organisatie waren.
Harde acties
De tweede generatie Molukkers, volwassen geworden in de jaren ’70, leden onder het verdriet van hun ouders en ergerde zich aan de onwil van de Nederlandse regering en de onverschilligheid van het Nederlandse volk. Dit leidde tot een aantal gewelddadige acties waarvan de bekendste:
· De bezetting van de Indonesische ambassade in Wassenaar in 1970
· De bezetting van het Indonesisch consulaat in Amsterdam in 1975
· De bezetting van de trein bij De Punt in 1977. Er vielen acht doden: twee passagiers en zes treinkapers. De treinbezetting duurde tot 11 juni en werd beëindigd door bestorming van de marine en beschieting door zes starfighters. Nabestaanden van twee gedode treinkapers hebben de staat aangeklaagd omdat zij menen dat bewust opdracht is gegeven kapers te doden. De staat ontkent dit, maar er doken later getuigen op die dit bevestigden. Advocaat Liesbeth Zegveld zoekt dit verder uit.
· De bezetting van een school in Bovensmilde in 1977
Ik woonde in 1975 in de Valeriusstraat in Amsterdam, schuin tegenover het Indonesisch consulaat dat bezet was. De buurt was geërgerd en bang, zeker nadat een medewerker van het consulaat uit het raam gesprongen/geduwd (?) was en aan zijn verwondingen overleed. Bij mij om de hoek was een Nederlandse militaire groep gelegerd die moest optreden als de bezetter zich niet overgaf. Zover is het niet gekomen. De bezetting werd opgeheven nadat beloofd was de kwestie opnieuw te bekijken. Die belofte leidde zoals gewoonlijk tot niets.
Alle acties ontstonden in een opstandige sfeer van Nederlandse jongeren. Alle bevrijdingsbewegingen, met name in Latijns-Amerika en zuidelijk Afrika, hadden een solidariteitscomité in Nederland. Ook de opkomende vrouwenbeweging en de milieubeweging waren zeer actief en niet te vergeten de kraakbeweging. De politieke acties van bovenstaande groepen waren net niet gewelddadig maar wel zeer heftig. Wat die Nederlanders kunnen, dachten wellicht de jonge Molukkers, dat kunnen wij ook. Ze hieven hun vuisten op, maakte het V-teken met hun vingers kortom, hun uitstraling was vergelijkbaar met die van de krakers, de Vietnam- en de anti-apartheidsactivisten. Ze streden tegen de Nederlandse en tegen de Indonesische autoriteiten. Toch was er geen één Nederlandse activist die zich solidair voelde met de Molukse activisten. Dat was ook logisch, Nederlandse activisten van de landencomités, die streden tegen onderdrukking en kolonialisme, konden onmogelijk sympathie en solidariteit opbrengen voor een groep waarvan de vaders hadden gevochten voor het behoud van de Nederlandse kolonie.
Hoe terecht de ergernis en het verdriet van de jonge Molukkers ook was, hun groep en hun ouders bevonden zich politiek in volstrekte eenzaamheid. Links kon zich niet solidair voelen en de gezeten burgerij ergerde zich alleen maar, zeker na alle gewelddadige acties. Vanaf begin jaren ‘80 waren er ook geen Molukse acties meer. Steeds meer Molukkers verhuisden toch naar Ambon of op zijn minst gingen ze daar even kijken. De kampen werden opgeheven en er werden specifieke woonkernen voor Molukkers opgericht. Jaarlijks is er nog wel een manifestatie op 25 april om de Republiek Der Vrije Molukken te eren, maar de hoop dat deze er ooit praktisch zal komen is er niet meer. Molukkers vormen een hechte gemeenschap en als zodanig worden ze ook gerespecteerd.
Excuses zijn mooi, Molukkers waren erg blij met deze erkenning, tot tranen aan toe. Er staat nu een standbeeld. Maar na de mooie woorden van premier Jetten moet er iets meer gebeuren, schadevergoeding/alsnog achtergesteld salaris betalen? Jetten beloofde genoegdoening en deze keer kan de staat niet om deze belofte heen. Je kan politiek verschillend denken, maar een groep die door de staat eeuwenlang gebruikt is om de Indische kolonie te behouden, verdient een fatsoenlijke behandeling.