
Ik heb niets met communisme. Nooit gehad ook. Maar na het lange gesprek van Tim Hofman met Bob Scholte van Left Laser in BOOS bleef ik met een ongemakkelijke gedachte zitten: misschien begrijpt deze communist iets van de traditionele linkse achterban wat progressief Nederland langzaam is kwijtgeraakt.
En misschien verklaart dat waarom hij zoveel losmaakt.
Scholte is uitgesproken, ideologisch en soms behoorlijk dogmatisch. Zijn analyse van het kapitalisme gaat mij geregeld veel te ver. Maar wie hem daarom afdoet als een verdwaalde marxist, maakt het zichzelf wel erg gemakkelijk. Want tussen zijn communistische analyses door zegt hij dingen over arbeid, bezit, loon, huur en economische macht die bij veel meer mensen binnenkomen dan alleen bij zijn eigen achterban.
Dat merkte ik toen ik op X opperde dat Scholte best eens met de top van PRO om tafel zou kunnen. Niet om het communisme alsnog het verkiezingsprogramma in te fietsen, maar om te luisteren naar wat hij zegt over de werkende klasse.
De herkenning kwam opvallend genoeg juist ook van mensen die werkelijk niets met communisme hebben. Uitgever Marieke Derksen vatte het op X raak samen: geen communist, maar wel behoefte aan een minder betuttelend verhaal op links.
Ook Arjen Lubach plaatste een scherpe kanttekening. Het is veelzeggend dat kritiek op identiteitspolitiek kennelijk pas echt lijkt door te dringen wanneer een marxist haar formuleert. Maar laten we vervolgens niet massaal voor het communisme vallen omdat degene die het eindelijk lekker weet te verwoorden toevallig communist is.
Daar heeft Lubach natuurlijk een punt.
Een rake diagnose maakt de voorgeschreven kuur nog niet verstandig.
Maar daarmee verdwijnt de diagnose niet.
Want Scholte raakt behalve de klassieke klassenkwestie nog een tweede open zenuw: woke.
Dat woord is door rechts inmiddels zo vaak gebruikt voor alles wat progressief, inclusief of gewoon een beetje modern is, dat links bijna automatisch in de verdediging schiet zodra het valt. Maar de kritiek van Scholte is interessanter dan het zoveelste rechtse verhaal over genderneutrale toiletten.
Zijn punt is niet dat racisme, discriminatie of emancipatie er niet toe doen. Zijn punt is dat links zo druk kan raken met identiteit, taal en individuele erkenning dat de materiële werkelijkheid naar de achtergrond verdwijnt.
En daar schuurt het.
Wie moeite heeft de huur te betalen, afhankelijk is van onzeker werk of ziet dat voorzieningen uit zijn buurt verdwijnen, beleeft de wereld nu eenmaal anders dan iemand voor wie de grootste politieke botsingen zich afspelen rond taal en identiteit.
Dat maakt zo iemand niet dom, rechts of intolerant.
Maar progressief Nederland wekt soms wel die indruk.
Alsof je eerst de juiste woorden moet kennen, de goede culturele codes moet beheersen en de juiste gevoeligheden moet tonen voordat je volwaardig mag meepraten.
Misschien is dát wel het betuttelende links waar steeds meer mensen zich tegen afzetten.
Scholte draait de volgorde om. Hij begint bij werk, loon, huur, bezit en macht. Wie werkt ervoor? Wie verdient eraan? Wie bezit het? Wie bepaalt uiteindelijk de spelregels?
Zijn antwoorden zijn mij vaak veel te marxistisch. Zijn vragen zijn dat bepaald niet. Sterker nog: het waren ooit doodnormale vragen op links.
Rechts heeft ondertussen de vervreemding van een deel van de traditionele linkse achterban veel eerder herkend. Het bood vervolgens simpele schuldigen: migranten, Brussel, klimaatbeleid, woke, de elite. Economische onzekerheid werd culturele woede. Electoraal bijzonder effectief, inhoudelijk vaak een dwaalspoor.
Scholte probeert die woede juist weer van links te politiseren.
Niet door naar beneden te trappen, maar door omhoog te kijken naar economische macht.
En precies daarom vind ik hem interessant.
Progressief Nederland heeft geen gebrek aan goede plannen voor bestaanszekerheid, betaalbare woningen, hogere lonen, goede zorg en gelijke kansen. Maar goede plannen zijn waardeloos wanneer de mensen voor wie je ze maakt niet langer het gevoel hebben dat je hun wereld begrijpt.
De werkende klasse is ondertussen in delen van progressief Nederland bijna een communicatiedoelgroep geworden. We onderzoeken haar, maken persona’s, organiseren strategiesessies en praten eindeloos over de vraag hoe we ‘deze mensen’ weer kunnen bereiken.
Misschien zit daar al het probleem.
‘Deze mensen’ zitten helemaal niet te wachten om bereikt te worden. Ze willen gehoord worden.
Scholte praat niet over de werkende klasse alsof die in een PowerPointpresentatie staat. Hij spreekt haar rechtstreeks aan. Soms ongenuanceerd, soms provocerend en wat mij betreft regelmatig met de verkeerde oplossingen.
Maar hij spreekt wel een taal die mensen verstaan.
Daarom denk ik dat Bob Scholte een belangrijkere factor in het publieke debat kan worden. Niet omdat Nederland communistisch wordt, dat geloof ik geen seconde, maar omdat hij woorden geeft aan een onvrede die veel breder leeft dan zijn ideologische achterban.
Lubach heeft dus gelijk: wie de onvrede overtuigend verwoordt, heeft daarmee nog niet het juiste antwoord.
Maar het omgekeerde geldt óók.
Wie die onvrede niet meer weet te verwoorden, laat het antwoord uiteindelijk aan anderen over.
Daarom meen ik mijn eerdere provocatie steeds serieuzer. Laat Scholte maar eens aanschuiven bij PRO. Niet als ideoloog, niet om hem gelijk te geven en al helemaal niet om het communisme te omarmen. Laat het maar schuren. Misschien moet hij iedereen daar een middag flink tegen de haren instrijken.
Want een progressieve beweging die opnieuw een brede volkspartij wil zijn, heeft weinig aan nog een strategiesessie met mensen die ongeveer hetzelfde denken.
Het gesprek van Tim Hofman met Scholte liet mij daarom met een ongemakkelijke conclusie achter.
Misschien is links de werkende klasse niet kwijt omdat die mensen allemaal ineens rechts zijn geworden.
Misschien is progressief Nederland vooral verleerd om naar ze te luisteren zonder ze eerst te willen opvoeden.
Dat ik een communist nodig heb om me daaraan te herinneren, vind ik zelf ook tamelijk ironisch.