
In Frankrijk vinden grootschalige demonstraties plaats waarbij deelnemers protesteren tegen uiteenlopende problemen, zoals de stijgende kosten van levensonderhoud, het lerarentekort, de problemen in het onderwijs, de hoge brandstofprijzen en de tekortschietende kwaliteit van publieke voorzieningen. Het gaat om een samenloop van problemen waarmee een groot deel van de Franse bevolking wordt geconfronteerd. Kortom, de bestaanszekerheid van de gewone Fransman en Française staat onder druk. Om dat duidelijk te maken, gaan mensen de straat op. En dat lijkt nu ook in Nederland te gaan gebeuren. In Den Haag hebben verschillende winkeliers zich al voorbereid en hebben hun etalages dicht laten timmeren.
Veel Fransen pikken het eigengereide optreden van de regering niet langer en vestigen de aandacht op de groeiende sociale ongelijkheid. Voor de rijke elite zijn de gestegen kosten geen probleem, maar voor grote groepen huishoudens vormen ze een steeds zwaardere last. Helaas monden protesten soms uit in rellen, waarbij geweld wordt gebruikt en vernielingen plaatsvinden.
De demonstranten eisen structurele oplossingen voor hun problemen en willen dat politici naar hen luisteren. Wat veel van deze groepen gemeen hebben, is de wens dat er een sociaal rechtvaardiger beleid gevoerd gaat worden. De groeiende kloof tussen arm en rijk moet worden teruggedrongen. Mensen met zware beroepen moeten de mogelijkheid houden om op tijd met pensioen te gaan. De lonen aan de onderkant moeten omhoog en de baanzekerheid moet worden vergroot. Ook moet de regering meer aandacht besteden aan het klimaat. Daarnaast wordt er ook geprotesteerd tegen het harde optreden van de politie. Frankrijk lijkt figuurlijk in vuur en vlam te staan. Maar kan zoiets ook in Nederland gebeuren? Het lijkt er inmiddels wel op.
De groeiende kloof tussen arm en rijk is beslist niet uitsluitend een Frans verschijnsel. Ook in andere Europese landen, waaronder Nederland, staat de bestaanszekerheid van bepaalde groepen onder druk. Lage lonen en lage uitkeringen maken het voor een deel van de bevolking erg moeilijk om alle noodzakelijke uitgaven te betalen. Steeds meer mensen moeten de eindjes aan elkaar knopen. Hoge huren, hoge brandstofprijzen en stijgende kosten van het openbaar vervoer drukken zwaar op de huishoudbudgetten. Evenals de snel stijgende kosten om je huis te kunnen verwarmen. Daar komen de in 2027 te verhogen zorgpremies en de kosten van het eigen risico nog bij. Ook veranderingen in belastingen (bijvoorbeeld de BTW- een bij uitstek regressieve belasting) en andere heffingen kunnen de koopkracht negatief beïnvloeden. Het gevolg is dat mensen met lage inkomens veel te weinig geld hebben om tegenvallers op te vangen. Kortom, het zijn meestal juist de mensen met de laagste inkomens die de gevolgen van de stijgende lasten het sterkst voelen.
Kortgeleden schreef ik over Joop den Uyl, die probeerde een sociaal rechtvaardig beleid te voeren. Precies waar de mensen in Frankrijk voor demonstreren. Ook in Den Uyls tijd waren er economische en maatschappelijke problemen waar de laagstbetaalden de meeste last van ondervonden.
Ergens las ik dat Den Uyl op aanraden van een collega naar een boekhandel ging om The Affluent Society van de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith te kopen. Dit boek verscheen in 1958. Wie het leest, kan begrijpen hoezeer Galbraith Den Uyls denken heeft beïnvloed. Galbraith begint zijn boek met de constatering dat ‘the poor man always has a precise view of his problem and its remedy: he hasn’t enough and he needs more’. De arme weet volgens hem heel goed wat zijn probleem is en wat de oplossing zou zijn: hij heeft te weinig geld en heeft meer nodig.
Gedurende een groot deel van de menselijke geschiedenis leefde de meerderheid van de bevolking in armoede, terwijl een kleine minderheid over grote rijkdom beschikte. Armoede was in die wereld de normale toestand. In die omstandigheden ontstonden economische denkbeelden die volgens Galbraith nog altijd een grote invloed uitoefenen op het economische en politieke beleid. Het gevolg is dat we blijven vasthouden aan verouderde ideeën en praktijken die niet langer passen bij de werkelijkheid en die zelfs onze welvaart kunnen bedreigen.
Galbraith betoogde dat veel gangbare economische opvattingen zijn ontstaan in een wereld die werd gekenmerkt door armoede, extreme ongelijkheid en economische onzekerheid. Die ideeën zijn niet meer geschikt voor een moderne samenleving waarin de productie en particuliere consumptie sterk zijn gegroeid, maar de publieke voorzieningen niet in hetzelfde tempo zijn meegegroeid. Een centraal begrip in Galbraiths werk is conventional wisdom: namelijk algemeen aanvaarde opvattingen die als vanzelfsprekend worden beschouwd, maar die hun aansluiting bij de werkelijkheid kunnen verliezen. Ze zijn ontstaan in een andere tijd, toen armoede, honger en schaarste het dagelijks leven bepaalden. De Franse socioloog Pierre Bourdieu noemde zulke ideeën doxa, overtuigingen die zo in ons denken zijn verankerd dat we ze eigenlijk opvatten als absolute waarheden.
Een belangrijk kenmerk van de conventional wisdom is dat deze alom wordt geaccepteerd. De opvattingen worden voortdurend herhaald en krijgen daardoor de status van vanzelfsprekende waarheden. Op televisie worden ze in praatprogramma’s verkondigd. Kritische vragen over de uitgangspunten van het bestaande beleid worden niet gesteld.
Galbraith formuleert het zo: ‘The enemy of the conventional wisdom is not ideas but the march of events.’ Niet nieuwe ideeën, maar de voortgang van de gebeurtenissen vormt de grootste bedreiging voor de gevestigde opvattingen. Die uitspraak klinkt bijzonder actueel. Ze zou van toepassing kunnen zijn op de omvangrijke woningnood, de problemen met de infrastructuur, de druk op de gezondheidszorg en de tekortkomingen in het onderwijs. Op verschillende terreinen lopen mensen tegen grenzen aan. Publieke voorzieningen schieten zwaar tekort en de gevolgen daarvan worden steeds zichtbaarder in het dagelijks leven. En niet alleen in het leven van de Fransman. Ook in het leven van de Nederlander.
Om die problemen aan te pakken, zijn forse en doelgerichte investeringen in publieke voorzieningen nodig. De werkelijkheid verandert, maar het economische denken past zich daar helaas niet snel genoeg aan aan.
Een voorbeeld van conventional wisdom is dat de overheid niet meer mag uitgeven dan er binnenkomt en daarom altijd moet streven naar een evenwichtige begroting. Gezonde overheidsfinanciën zijn belangrijk, maar daaruit volgt niet dat een begroting onder alle omstandigheden in evenwicht moet zijn. Tijdens een recessie kan het terugschroeven van overheidsuitgaven de economische neergang juist versterken. Minder overheidsbestedingen kunnen leiden tot minder werkgelegenheid, lagere inkomens en een verdere afname van de consumptie.
Er zijn meer denkbeelden die volgens Galbraith kritisch moeten worden bekeken. Binnen het economische denken bestaat veel vertrouwen in de zelfregulerende werking van de markt. Maar de markt zorgt niet automatisch voor een rechtvaardige verdeling van de welvaart. Ondernemers hebben er belang bij hun kosten te drukken, terwijl werknemers voldoende loon nodig hebben om in hun levensonderhoud te voorzien. Wanneer de onderhandelingspositie van werknemers zwak is, kunnen die belangen flink met elkaar botsen.
In hoeverre kan de markt zelfstandig zorgen voor zowel economische groei als sociale rechtvaardigheid? En welke rol moet de overheid spelen wanneer markten leiden tot grote ongelijkheid of wanneer noodzakelijke voorzieningen onvoldoende beschikbaar zijn? Galbraith zag in het welvarende Amerika van zijn tijd een opvallende tegenstelling. De particuliere productie en consumptie namen erg sterk toe, maar de publieke voorzieningen hielden daarmee geen gelijke tred. Mensen konden steeds meer luxegoederen kopen, terwijl bijvoorbeeld onderwijs, infrastructuur en andere collectieve voorzieningen zwaar werden verwaarloosd.
Volgens Galbraith kon die wanverhouding leiden tot maatschappelijke ontwrichting en zelfs de economische prestaties belemmeren. De centrale gedachte is dat de groei van particuliere welvaart niet automatisch leidt tot een verbetering van de publieke voorzieningen. Wanneer de overheid te weinig investeert in onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer en infrastructuur, kan de kwaliteit van het dagelijks leven snel achteruitgaan, zelfs wanneer de economie als geheel groeit.
Ook bij Den Uyl stond de vraag centraal hoe economische groei kon worden omgezet in maatschappelijke vooruitgang. Groei was voor hem geen doel op zichzelf. Het ging erom wat er met de opbrengsten van die groei gebeurde en wie daarvan profiteerde. Welvaart moet immers niet alleen worden afgemeten aan de hoeveelheid goederen en diensten die worden geproduceerd en verkocht. Ook de toegankelijkheid van goed onderwijs, betaalbare woningen (ten tijde van Den Uyl Volkshuisvesting), betrouwbare gezondheidszorg en betaalbaar, goed functionerend openbaar vervoer bepaalt hoe welvarend een samenleving werkelijk is.
Al decennialang wordt in het Nederlandse economische beleid veel waarde gehecht aan marktwerking, begrotingsdiscipline en het terugdringen van de rol van de overheid. Wanneer ze als vanzelfsprekende waarheden worden gezien, zonder voldoende rekening te houden met een veranderende maatschappelijke werkelijkheid, zijn ze te beschouwen als conventional wisdom waar Galbraith zo dringend voor waarschuwde.
Er is lange tijd veel te weinig geïnvesteerd in publieke voorzieningen waarvan burgers afhankelijk zijn. Vooral die aan de onderkant van de samenleving. Ook in Nederland zijn er steeds meer mensen die ondervinden dat hun bestaanszekerheid onder grote druk staat. De gevolgen van prijsverhogingen zijn niet voor iedereen gelijk: huishoudens met hoge inkomens en flinke financiële buffers kunnen prijsstijgingen gemakkelijker opvangen dan mensen die vrijwel hun gehele inkomen aan vaste lasten moeten besteden. De symptomen van maatschappelijke ontwrichting zijn op verschillende terreinen steeds zichtbaarder aan het worden. De vraag is of de politiek erin slaagt de onderliggende problemen tijdig aan te pakken, voordat het toch al lage vertrouwen in de overheid nog verder afneemt.
De uiteindelijke vraag is niet hoeveel welvaart een samenleving voortbrengt, maar hoe die welvaart wordt verdeeld en in hoeverre zij bijdraagt aan het welzijn van iedereen. Als de politiek daar onvoldoende oog voor heeft, dreigt de afstand tussen burgers en bestuur nog verder toe te nemen. En dan gaan er ook in Nederland steeds meer mensen besluiten hun boosheid op straat kenbaar te maken…