
Concrete utopie van het socialisme
Vertegenwoordigers van alle progressieve partijen zouden duidelijk afstand moeten nemen van de neoliberale ideologie. Zij bieden op zijn best slechts korte termijnplannen die iedereen een goed leefbaar inkomen en gratis gezondheidszorg garanderen. Zij zouden ook langere-termijnperspectieven moeten bieden, waarbij ze kunnen putten uit een rijke traditie van socialistische utopieën, zoals zichzelf besturende arbeiderscoöperatieven.
Sinds de val van het Sovjetsysteem is het bijna niet meer mogelijk om te spreken over een (werkbaar) socialisme of communisme. Terwijl we toch weten dat dit “reëel uitgevoerde socialisme” niets weg had van de ideeën van de utopisch socialisten (Robert Owen, Charles Fourier en Saint-Simon) in de 18e en eerste helft van de 19e eeuw. Zij ontwierpen interessante modellen van zichzelf besturende coöperaties en sommigen brachten die ook in de praktijk.
We kunnen deze traditie weer nieuw leven inblazen en ons erdoor laten inspireren als we over een post-kapitalistische samenleving dromen.
Op economisch niveau zouden we bedrijven kunnen veranderen in democratische arbeiderscoöperaties, die produceren voor de geïnventariseerde behoeften van iedereen en niet voor de winst van enkelen. Het adagium van Marx “Voor ieder naar behoefte en van iedereen naar vermogen” kan met het bereikte productiepotentieel dan leidend zijn. Werkzekerheid wordt vervangen door inkomenszekerheid. Als we minder hoeven te produceren, kunnen we de arbeid herverdelen, zodat we meer vrije tijd over hebben, waardoor we echt mens kunnen worden. We werken dan om te leven en leven niet meer om te werken.
Kleine historie van arbeiderscoöperaties
In 1760 werden de eerste productiecoöperaties, waarvan de arbeiders de eigenaars waren, in de gedaante van meelfabrieken geopend in de Engelse stadjes Woolwich en Chatham.
In 1785 werd in Schotland te New Lanark een katoenspinnerij gesticht. De schoonzoon van één van de oprichters David Owen die het bedrijf overnam, verbeterde de levensomstandigheden van werknemers met kortere werktijden, onderwijs en een coöperatieve dorpswinkel. In 1825 stichtte hij een coöperatie met gratis onderwijs in Indiana (VS), een experiment dat na enkele jaren door interne conflicten en gebrek aan economische levensvatbaarheid mislukte.
Geïnspireerd door de ideeën van Charles Fourier (van de Phalanstères) bouwde de kachelfabrikant Jean-Baptiste André Godin van 1859-1884 een 'arbeiderspaleis' in Frankrijk, de Familistère van Guise, waar arbeiders comfortabel woonden en samenwerkten.
Volgens Marx bewezen coöperaties dat arbeiders heel goed in staat zijn hun eigen productie te leiden zonder een kapitalist die de arbeiders uitbuit. Hij waarschuwde er wel voor dat zolang de rest van de economie kapitalistisch is, coöperaties niet in staat zijn het systeem fundamenteel te veranderen. Ze moeten immers concurreren op de markt, wat kan leiden tot ‘zelfuitbuiting’ om te overleven. Daarom kunnen de arbeiders niet alleen vertrouwen op lokale initiatieven, maar zullen zij om een levensvatbaar stelsel te creëren de staat moeten ‘veroveren’ die onder meer het geldwezen (de centrale bank) dient te nationaliseren.
Het voorbeeld van Mondragón
De grootste moderne variant van dit systeem vinden we in het Spaanse Mondragón. In 1943 richtte de dorpspriester José Maria Arizmendiarrieta een polytechnische school op, die later uitgroeide tot de Mondragón-universiteit. De democratische opzet van de school, opgericht met collectief verzameld geld van de dorpelingen, wordt beschouwd als de kiem van de coöperatie. Hij selecteerde een vijftal pupillen, die in 1956 gezamenlijk de eerste coöperatieve fabriek opzetten. Nog vele coöperaties volgden.
In 1959 werd een volksbank (Caja Laboral Popular) opgericht, die een centrale rol speelde in een federatie van coöperaties. Daarnaast de kent de federatie ook nog uit een universiteit, een systeem van sociale zekerheid en een voedingswarendistributeur.
Inmiddels is Mondragón uitgegroeid tot een corporatie van meer dan 250 coöperaties met meer dan 83.000 medewerkers.
In 1991 werd er een overkoepelend orgaan (Mondragon Corporación Cooperativa) opgericht voor de hele federatie van coöperaties, dat de zelfstandige coöperaties verbindt en strategisch ondersteunt.
Het management wordt elk jaar gekozen door een 'algemene vergadering' met delegaties uit elke tak van de deelnemende coöperatieven. Hierin wordt ook gestemd over een algemeen bindend strategisch plan voor de federatie.
De coöperaties zijn gebonden aan dit plan maar hebben wel de mogelijkheid om op elk moment uit de federatie te stappen.
[Zie ook de rapportage van VPRO’s Tegenlicht, ‘Het wonder van Baskenland’, uitgezonden op 05.03.2012]
Beoordeling van Mondragón
Een onderzoek van Sharryn Kasmir (The Myth of Mondragon: Cooperatives, Politics, and Working Class Life in a Basque Town, 1996) laat zien, dat het Mondragón-experiment erin is geslaagd om de werkloosheid on de regio laag te houden. Arbeiders van een fabriek besluiten in moeilijke perioden zelf hoe ze het bedrijf erdoor willen helpen. Hieruit blijkt dat ze meestal voor inkomensmatiging kiezen boven ontslagen en overplaatsing van medewerkers naar andere takken van de federatie.
Over de beloningsstructuur en de verdeling van de winst of verlies vindt democratische besluitvorming plaats.
Kasmir stelt dat de belofte van werknemer-eigenaarschap niet automatisch resulteert in het verdwijnen van vervreemding op de werkvloer, vaak door de hiërarchische structuur die noodzakelijk wordt geacht voor management.
Ook is er kritiek op het feit dat medewerkers met tijdelijke contracten geen mede-eigenaar kunnen zijn. Er leven wel ideeën om hen in de toekomst de mogelijkheid te bieden ook volwaardige lid van de organisatie te worden.
Sjors Roeters die een bezoek aan Mondragon heeft gebracht, stelt in de lijn van Marx: “Als jij binnen een kapitalistische context moet concurreren, moet je je daartoe verhouden. Je kan het ietsje eerlijker en democratischer en duurzamer doen, maar zolang dat systeem niet verandert moet je meedoen.” [‘Miljardairs onder de guillotine! (Of: hoe we afrekenen met het kapitalisme’, interview d. Lex Bohlmeijer met Sjors Roeters, de Correspondent, 07.01.2023]
Hoe nu verder?
Het is noodzakelijk en belangrijk dat een politieke strijd wordt gevoerd, gericht op onteigening van alle grote bedrijven die vervolgens door de arbeiders als zichzelf besturende coöperaties gerund worden.
Daarnaast hebben we een nieuw staatsmodel nodig dat in harmonie met de coöperaties bestuurt. Hier zou op democratische wijze over de randvoorwaarden van de productie gesproken en besloten moeten worden, waarbij bescherming van milieu en klimaat uitgangspunt zou moeten zijn. Verder zou het goed zijn als de ‘overheid’ een orgaan in het leven roept en controleert, dat de behoeften van de mensen voortdurend inventariseert en dat als basis voor de productiecoöperaties kan functioneren.
Wetgevende burgerberaden en beleidsvoorbereidende burgerparlementen op basis van loting lijken me hiervoor het aangewezen systeem. Deze vorm van directe democratie stelt ook gewone burgers in staat om zich met elkaar over wetsvoorstellen te buigen om die uiteindelijk tot wetten te verheffen.
De toenemende recente experimenten hiermee zijn heel succesvol en nemen gelukkig in aantal toe. Dit systeem is in potentie in staat om ons politieke stelsel, dat weinig democratisch is, geheel te vervangen.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.