Logo Joop
De opiniesite van BNNVARA met actueel nieuws en uitgesproken meningen.

Maak van het UWV de verzekeraar voor werknemersrisico's

•
12-10-2026
•
leestijd 6 minuten
•
7166 keer bekeken
•
ANP-567846140

Het kabinet heeft de plannen voor beperking van hoogte en duur van de WW en WIA ingeslikt om daarmee ruimte voor onderhandelingen over een nieuw sociaal akkoord te creëren tussen kabinet, werkgevers en werknemers. Maar is het wel zo’n goed idee dat het kabinet meeonderhandeld?

Maandenlang dreigden de bezuinigingsplannen een splijtzwam in de huidige regeringscoalitie te vormen. Pro en de vakbonden waren eensgezind in hun verzet tegen de voorgenomen bezuinigingen. Volgens hen is er geen sprake van een structureel probleem bij de WW en de WIA. Zij erkennen weliswaar de grotere instroom in de WIA, maar wijten de oorzaken daarvan vooral aan administratieve en demografische factoren, waar werknemers nu eenmaal geen invloed op hebben. Ook het UWV deelt deze verklarende factoren. Het aantal oudere werknemers in het UWV-bestand neemt al jaren toe. En oudere werknemers lopen nu eenmaal meer risico om arbeidsongeschikt te raken. En doordat de wachttijd voor een keuring alsmaar langer wordt, besluit het UWV steeds vaker om alvast een voorschotuitkering te geven, waardoor deze mensen automatisch al in de WIA-cijfers meetellen.

Bij de WW geven de cijfers al helemaal geen aanleiding tot zorgen. Integendeel, de werkloosheid is nog altijd, met een percentage van net onder de vier, bijzonder laag te noemen. In de meeste gevallen betreft het schoolverlaters die een baan zoeken en mensen die bezig zijn met de overstap naar een andere baan. Dat werkgevers alles uit de kast willen halen om werklozen snel aan het werk te zetten is op zich begrijpelijk, maar gelet op de feiten beslist overbodig. Volgens het CBS is 35 tot 40 procent van de werkzoekenden al binnen 3 maanden elders aan de slag en nog eens 30 tot 35 procent lukt dat binnen 6 maanden. Oudere werknemers hebben na ontslag meer tijd nodig om een nieuwe baan te vinden, omdat ze door werkgevers dikwijls als te oud of te duur worden bevonden en soms ook extra bij- of omscholing nodig hebben. En niet in de laatste plaats geldt dat werkgevers, ondanks de krapte op de arbeidsmarkt, zich te vaak nog de luxe permitteren om te blijven zoeken naar het schaap met de vijf poten.

De voor de hand liggende vraag is daarom voor welk probleem de beoogde bezuinigingen op de WW en WIA een oplossing zouden moeten zijn. Zo beschouwd zouden de bezuinigingen enkel als resultaat hebben dat mensen, die al buiten hun schuld in zwaar weer verkeren, ernstig in hun portemonnee geraakt worden. Halvering van de WW-duur en de duur van de loongerelateerde uitkering in de WIA zou betekenen dat een kleine 100.000 - vooral oudere - mensen per jaar extra in de Bijstand belanden.

Wie de ophef van het kabinet over de noodzaak om op de sociale voorzieningen te bezuinigen vergelijkt met de feiten ziet een ander beeld ontstaan. Inmiddels zijn de reserves in de WW- en WIA-fondsen aangegroeid tot een bedrag van ruim 55 miljard, dus van een bezuinigingsnoodzaak is überhaupt geen sprake. Maar het kabinet blijkt de premie-inkomsten uit de WW en WIA nodig te hebben om dekking te vinden voor andere begrotingsposten. Maar dat wordt nergens met zoveel woorden toegegeven.

Wie de Miljoenennota voor 2027 er op naslaat ziet een geprognosticeerd bedrag aan premie-inkomsten van 48,3 miljard en aan de uitgavenkant een prognose van 38,6 miljard. En bij dit laatste bedrag zijn de verwachte uitgaven voor de Bijstand van ruim 8 miljard zelfs inbegrepen, terwijl de Bijstand feitelijk geacht wordt betaald te worden uit de algemene middelen.

We kunnen feitelijk vaststellen dat de verhouding tussen het totaal aan betaalde uitkeringen en de totale premie-inkomsten volledig zoek is. Logisch dat niet alleen de vakbonden maar ook de werkgevers tegen deze handelswijze protesteren. Zij betalen de premies voor de werknemersverzekeringen en zien met lede ogen aan hoe daarmee gaten in de begrotingen van andere departementen gedicht worden. Menig werkgever ziet de premiebetaling dan ook als een verkapte vorm van belastingheffing. Inmiddels hebben enkele honderden werkgevers zich zelfs aangesloten bij een collectieve claimactie onder de naam massaalbezwaar.nl, waarmee zij de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidspremies willen terugeisen.

De onvrede bij werkgevers en werknemers is zodanig groot, dat het hele stelsel van sociale zekerheid, zoals het nu functioneert, beter grondig verbouwd kan worden. Bij de onderhandelingen, die na de aftrap op 7 oktober 2026 van start zijn gegaan, zou de eerste vraag die op tafel zou moeten komen, dan ook zijn of de overheid zich niet beter zou kunnen terugtrekken uit die beraadslagingen, om zich vervolgens te beperken tot een slechts faciliterende rol. De idee dat de WW-en WIA-fondsen fungeren als pinautomaat van het Ministerie van Financiën moet ophouden te bestaan. Daartoe zou het UWV, dat nu handelt onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verzelfstandigd worden en onder regie komen van een samenwerkingsverband van vakbonden en werkgevers. Dit vernieuwde UWV zou op dezelfde wijze als een echte verzekeraar kunnen gaan functioneren. Er bestaan al tal van verzekeraars die het risico van inkomstenderving als gevolg van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid verzekeren. Zo zijn er verzekeraars die hypotheeklasten verzekeren in geval van werkloosheid en bestaan er arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor zelfstandige ondernemers. Daar komen geen lange wachtlijsten voor, terwijl zij toch dezelfde soort keuringen en controles doen. De hoogte van de premies worden afgestemd op basis van de risico’s en claimfrequentie. Het enige verschil met de commerciële verzekeraars is dat het UWV nieuwe stijl zonder winstoogmerk zal werken en dus lagere tarieven kan hanteren.

Werkgevers- en werknemersorganisaties zullen als sociale partners het eens moeten worden over tal van onderwerpen. Niet alleen over de hoogte en duur van de uitkeringen, maar vooral ook over maatregelen ter preventie van ziekte en arbeidsongeschiktheid, evenals hoe zij zich gezamenlijk kunnen inzetten om hulp en begeleiding te bieden aan werklozen, zieken en arbeidsongeschikten. Beide partijen hebben er belang bij dat werknemers, zodra dat kan, weer deelnemen aan het arbeidsproces.

In dat verband kan nog veel geleerd worden van het Scandinavisch model, dat de nadruk legt op snelle re-integratie en activering. Maar hoofdzaak dient te zijn dat werknemers, die het overkomt, erop gerust kunnen zijn dat zij, zolang de noodzaak daartoe bestaat, geen al te grote financiële achteruitgang ervaren.

Platte bezuinigingsvoorstellen, zoals de coalitiepartijen die oorspronkelijk voorstelden, zijn een gedrocht en passen niet bij de idee van de verzorgingsstaat, waar Nederland zich lange tijd op voorstond. Dat wil niet zeggen dat de kosten van het in stand houden van dit stelsel niet beheersbaar moeten blijven. Maar dat vergt diepgaand onderzoek naar de oorzaken van ziekte en arbeidsongeschiktheid, maar vooral ook hoe de reactivering en re-integratie efficiënter en effectiever ingericht kunnen worden. Niet in de laatste plaats zou meer onderzoek gedaan moeten worden naar de attitude van werkgevers ten aanzien van gedeeltelijk arbeidsongeschikten en werklozen. Het schaap met de vijf poten bestaat zelfs niet in fabeltjes.

De rol van de overheid zou in deze visie beperkt zijn. In hoofdzaak dient zij te bewaken dat ons land het predicaat ‘verzorgingsstaat’ behoudt. Daarvoor is ons collectieve welvaartspeil immers hoog genoeg. Voorts zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de door de sociale partners overeengekomen afspraken algemeen verbindend moeten verklaren, waardoor de gemaakte afspraken ook gelden voor niet-georganiseerde werkgevers en werknemers.

Maar hoe de werknemersvoorzieningen ook worden vormgegeven, het zijn en blijven tijdelijke voorzieningen. De vraag is wat er gebeurt als mensen meer tijd nodig hebben, dan waar de regelingen in voorzien. Tot op heden komen deze mensen in de Bijstand terecht. Zij verliezen daarmee grotendeels de regie over hun leven en lopen het risico om alles, wat ze aan financiële waarden tijdens hun werkzaam leven hebben opgebouwd, te verliezen.

Ik pleit ervoor om voor deze groep een voorziening in het leven te roepen die aan betrokkenen een minimumbestaan garandeert, waarbij als enige voorwaarde gesteld wordt dat zij gedurende tenminste één jaar gewerkt hebben. Partnerinkomen, overwaarde op het eigen huis e.d. blijven daarmee buiten schot.

Maar behalve deze basisvoorziening, die overigens slechts van toepassing is als niets of niet tijdig gelukt is, heeft de overheid straks nog maar een bescheiden rol.

Hoofdzaak zal zijn dat werkgevers en werknemers bilateraal afspraken maken over het totale pakket aan werknemersvoorzieningen. De hoogte van de verschuldigde premies staan in directe verhouding tot de verwachten uitgaven. Die kosten maken daarmee een integraal onderdeel uit van de totale loonkosten en zullen, vanwege de transparantie, ook zo door de individuele werknemers en werkgevers begrepen worden. Van verkapte belastingheffing zal geen sprake meer kunnen zijn. Hogere of lagere kosten weerspiegelen daarmee de economische conjunctuur en de mate waarin partijen erin slagen blijvend te focussen op preventie en het aanbieden van de juiste hulp en ondersteuning bij werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Reacties (0)

Joop

Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.

Je kunt je op elk moment uitschrijven. Bekijk of beheer hier alle nieuwsbrieven.

Wil je meer weten over de manier waarop wij met jouw gegevens omgaan? Lees dan ons Privacy statement.

BNNVARA wij zijn voor