
Het onderzoek naar de rol van het Huis Oranje-Nassau in ons koloniale verleden werd afgelopen donderdag live uitgezonden door de publieke omroep. Oorverdovend stil bleef het echter toen enkele dagen daarvoor de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme een adviesrapport uitbracht over Chinese, Hindostaanse en Javaanse contractarbeid in Suriname.
Voeg een koning toe aan een koloniaal verhaal en niemand twijfelt eraan dat het Nederlandse geschiedenis is; voeg de contractarbeiders toe en ineens moet het worden uitgelegd. De NCDR noemt het "historische ongelijkwaardigheid": de geschiedenis van contractarbeid krijgt veel minder aandacht. Dat klopt. En het advies is nog te bescheiden. Contractarbeid was niet slechts iets van Suriname, maar een wereldwijd systeem. Alleen al in Deli op Sumatra werkten honderdduizenden Chinese en Javaanse arbeiders onder een contractregime van de Nederlandse koloniale administratie.
Deze geschiedenis beperken tot Suriname maakt het verhaal te klein. En het duwt de families, routes en samenlevingen aan de andere kant van de oceaan uit beeld. Het nationale kader halveert een wereldwijde geschiedenis.
Onbekend was het niet altijd. In 1858 vertelde parlementslid Steven Blaupot ten Cate aan de Tweede Kamer dat "vele dagbladen" schreven over de mishandeling van Chinese contractanten. De minister van Koloniën moest lijfstraffen uitleggen. De kranten schreven erover, de Kamer debatteerde erover. In 1902 publiceerde advocaat J. van den Brand De millioenen uit Deli, een aanklacht tegen de uitbuiting en mishandeling van Chinese en Javaanse contractarbeiders op Sumatra. Hij zocht de publiciteit en de kranten sprongen erop. Dat resulteerde in een regeringsonderzoek. Het rapport bevestigde de misstanden en verdween in de la. Pas in 1987 haalde historicus Jan Breman het uit het archief.
Aan kennis is dus geen gebrek. De vraag is niet waarom Nederland dit niet weet. De vraag is waarom het zo selectief is in wat het herinnert.
Ik schrijf een boek over de eerste Chinese contractarbeiders in Suriname, en ik zie het antwoord zich ontvouwen in de archieven. Mijn voorouder werd in 1858 van Macau naar Suriname gebracht. Hij werd alleen geregistreerd onder de naam Sam-Sin in Latijnse letters zonder de familienaam die eraan vooraf had moeten gaan. Zijn eigennaam werd onze achternaam. De overheid kon doen wat ze wilde met de spelling van Chinese namen omdat er altijd een nummer aan verbonden was. De administratie die hem zo precies over de wereld bracht, maakte de weg terug onvindbaar.
Alleen als er geld in het spel was, was er wél een lijn naar de families. Vier van de eerste groep contractarbeiders die van Batavia naar Suriname gingen, overleefden de reis niet. De overheid sloeg onmiddellijk alarm over twee van hen, Thio Engoan en Ouw Kiat. Wat ze meteen wilde weten, was of betalingen aan hun “achtergelaten betrekkingen” konden worden stopgezet. Zo’n betalingsregeling werd nooit meer gemaakt.
Na hun contract maakten de Chinezen die nog in leven waren (één op de zes stierf tijdens hun contractperiode) deel uit van de vrije samenleving. De mensen verdwenen niet. De categorie verdween. En met de categorie verdween het verhaal.
Contractarbeiders wisten heel goed hoe scheef het systeem was waarin ze verzeild geraakt waren. In 1876 citeerde statenlid Semuel van Praag een contractarbeider die door een plantagedirecteur voor de rechter was gesleept. Toen de man zijn eigen recht wilde zoeken, vroeg hij of “de regter dan alleen tot taak had om de arbeiders te straffen en niet tevens om hen te beschermen”. Zijn vraag is nog steeds niet beantwoord.
In 2022 beschreef Christa Wongsodikromo het kafkaëske proces van het terugkrijgen van haar Javaans-Surinaamse familienaam. Dat kon alleen bij koninklijk besluit. Voor nazaten van contractarbeiders kost zo’n procedure veel energie en eigen geld. We weten al dat dat anders kan. Bij het slavernijverleden volgde op excuses door de koning een gratis route om een familienaam terug te krijgen. En daar raken de twee nieuwsverhalen van de afgelopen week. Het ene gaat over families van wie de namen en relaties zijn vervormd of uitgewist door koloniale registratie; het andere over een familie van wie de naam, afstamming en continuïteit zorgvuldig zijn bewaard in het nationale verhaal.
Historische gelijkwaardigheid kan niet het einde van het verhaal zijn: zichtbaarheid moet ook leiden tot herstel. De NCDR dringt erop aan dat de geschiedenis van contractarbeid "serieus moet worden genomen, onderzocht, bewaard en doorgegeven" en dat er ruimte en geld beschikbaar moet worden gesteld. Niet alleen om te herlezen wat Nederland ooit wist, maar ook om in Suriname, China, India, Indonesië en elders archieven en verhalen te vinden om zo bronnen te verbinden en verloren familiebanden te herstellen. Wie families administratief uit elkaar schreef, kan de last van onderzoek niet anderhalve eeuw later op de schouders van diezelfde families leggen. Nederland zal ook moeten betalen voor het herstel van wat zijn eigen administratie onvindbaar heeft gemaakt.
Sam-Sin had een familienaam. We zijn die kwijtgeraakt. Om de rest te vinden, zou je geen koning nodig moeten hebben.