
Europa stagneert, Amerika groeit, China neemt het over. Politici, diplomaten en commentatoren herhalen het alsof het een natuurwet is: de toekomst behoort toe aan Washington en Beijing, terwijl Europa achterblijft in zijn eigen complexe regelgeving, normen en twijfels. Maar klopt dit eigenlijk wel?
Wie voorbij de slogans kijkt en de cijfers serieus neemt, ziet een veel genuanceerder verhaal. Allereerst het idee van “Amerikaanse groeiexplosie”. Op papier groeit het Amerikaanse bruto binnenlands product (bbp) inderdaad sneller dan dat van de Europese Unie. Maar dat zegt op zichzelf weinig. Wie economische groei beoordeelt zonder rekening te houden met bevolkingsontwikkeling en prijsniveaus, verwart omvang met welvaart.
Een aanzienlijk deel van de hogere Amerikaanse groei is eenvoudig te verklaren door demografische expansie: de bevolking van de Verenigde Staten groeit sneller dan die van Europa. Daar komt bij dat de kosten van levensonderhoud in de VS de afgelopen decennia sterk zijn gestegen. Wanneer deze factoren worden verdisconteerd en men kijkt naar het bbp per hoofd van de bevolking, gecorrigeerd voor koopkracht, verdwijnt het beeld van een Amerikaanse uitzonderingspositie. Sinds 1990 nam dit bbp per capita toe met ongeveer 70 procent in de Verenigde Staten en met circa 63 procent in de Europese Unie, respectievelijk 1,6 en 1,5 procent gemiddelde jaarlijkse groei. Van een structureel “Amerikaans mirakel” of Europese stagnatie is in dat licht geen sprake.
Ook het argument dat Europa zou “achterblijven in productiviteit” houdt geen stand. Het verschil in bbp per hoofd tussen de VS en Europa komt grotendeels niet door lagere efficiëntie, echter doordat Europeanen simpelweg minder uren werken. Meer vakantiedagen, kortere werkweken en eerder pensioen vertalen zich in een lager totaal output cijfer per persoon, maar niet in een lagere productiviteit per uur. In de grote kernlanden van de EU, zoals Duitsland, Frankrijk, Nederland en België, ligt de productiviteit per gewerkt uur op een niveau dat vrijwel gelijk is aan dat van de Verenigde Staten. Met andere woorden: het verschil in economische uitkomst weerspiegelt niet zozeer een productiviteitskloof, maar een collectieve keuze voor een andere verdeling tussen arbeid en vrije tijd.
Dat brengt ons bij een fundamenteel punt dat bekend is, doch vaak wordt genegeerd: bbp is geen synoniem voor welvaart. Het meet productie, geen welzijn. Europa combineert een vergelijkbare productiviteit met een hogere levensverwachting, minder inkomensongelijkheid en aanzienlijk lagere CO₂-uitstoot per hoofd dan de VS. Vanuit een breder welvaartsperspectief, waarin gezondheid, sociale cohesie en duurzaamheid meetellen, presteert Europa allesbehalve slechter.
Deze nuance is extra belangrijk in een wereld waarin China steeds nadrukkelijker wordt gepresenteerd als economisch rolmodel. China kent indrukwekkende groeicijfers, maar die gaan gepaard met hoge milieuvervuiling, grote ongelijkheden en een autoritair politiek systeem. Daarbij zijn de ethische vraagstukken rond arbeidsomstandigheden, waaronder kinderarbeid, gedwongen arbeid en beperkte werknemersrechten in delen van de productieketen, nog buiten beschouwing gelaten. Als we groei los zien van ethiek, democratie en duurzaamheid, trekken we de verkeerde conclusies. Europa’s kracht ligt juist in het combineren van economische prestaties met sociale en ecologische normen. Dat is geen zwakte, maar een strategisch voordeel in een wereld die steeds meer worstelt met klimaatverandering en maatschappelijke polarisatie.
Dat alles betekent niet dat Europa achterover kan leunen, of het voorbeeldig doet. Er is werk aan de winkel. Interne barrières binnen de EU, gefragmenteerde kapitaalmarkten, uiteenlopende regelgeving en trage besluitvorming, remmen schaalvergroting en innovatie. Slimme deregulering binnen de interne markt, niet het afbreken van sociale of klimaat standaarden, zijn nodig om Europese bedrijven competitief te houden.
In dat licht is ook het Mercosur-handelsakkoord relevant. Dit akkoord geeft Europa toegang tot nieuwe markten, grondstoffen en strategische partners, terwijl het de Europese exportsectoren versterkt. Mits goed vormgegeven, kan Mercosur Europa economisch en geopolitiek positioneren als een zelfstandige speler, in plaats van een speelbal tussen Washington en Beijing.
Dit alles betekent niet dat Europa zich in geruststellende zelftevredenheid kan terugtrekken. In een wereld waarin economische macht snel verschuift en technologische en geopolitieke concurrentie toeneemt, is waakzaamheid geen luxe maar noodzaak. Europa doet het beter dan het dominante narratief suggereert, maar dat succes is geen gegeven. Zonder hervormingen die innovatie stimuleren, interne markten verdiepen en investeringen in kennis en technologie versnellen, dreigt stilstand alsnog een zelfvervullende voorspelling te worden.
Europa staat niet stil, en het loopt zeker niet per definitie achter. Het volgt een ander ontwikkelingspad. De uitdaging is niet om de VS of China te imiteren, maar om het Europese model te versterken: competitief waar nodig, sociaal en duurzaam waar mogelijk. Wie alleen naar bbp-ranglijsten kijkt, mist dat grotere plaatje. Voorzichtigheid is dus geboden bij grote uitspraken over Europees verval. De realiteit is minder spectaculair, maar ook veel hoopvoller.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.