
Ik ben al een groot deel van mijn leven gefascineerd door één vraag: waarom lukt het ons als mensheid om steeds rijker te worden, steeds meer te produceren, steeds betere technologie te ontwikkelen en steeds efficiënter te werken, terwijl tegelijkertijd zoveel gewone mensen het gevoel hebben dat ze financieel nauwelijks vooruitkomen? Die vraag heeft mij nooit losgelaten. Ik heb er eindeloos over nagedacht en eerlijk gezegd ook behoorlijk wat frustratie aan overgehouden, omdat ik steeds weer bij hetzelfde gevoel uitkwam: ergens in ons economische systeem klopt iets fundamenteels niet.
We vertellen mensen dat ze hard moeten werken, verstandig met hun geld moeten omgaan, moeten sparen, ondernemen en verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun eigen toekomst. Daar is op zichzelf niets mis mee. Maar ondertussen zien we dat iemand die al heel veel bezit veel gemakkelijker nog meer bezit kan opbouwen dan iemand die vanaf nul begint. Wie miljoenen bezit kan beleggen in aandelen, vastgoed en bedrijven en het rendement opnieuw investeren. Iemand zonder vermogen moet eerst iedere maand zijn huur of hypotheek, energie, boodschappen en belastingen betalen en vervolgens maar hopen dat er iets overblijft om vermogen op te bouwen. We doen vervolgens alsof die twee mensen aan dezelfde wedstrijd deelnemen. Dat doen ze natuurlijk niet.
Jarenlang zocht ik naar de fout daarachter. Totdat ik mij steeds meer realiseerde dat ik die systeemfout helemaal niet zelf hoefde te ontdekken. Voor mij is professor Thomas Piketty degene die hem ongeveer vijftien jaar geleden fundamenteel heeft blootgelegd. Hij heeft laten zien wat er gebeurt wanneer bestaand vermogen sneller kan aangroeien dan de economie en de inkomens van gewone mensen: wie eenmaal veel bezit, kan zijn vermogen steeds verder laten groeien en daardoor kan rijkdom zich generatie na generatie steeds sterker concentreren. In mijn boek Minder macht voor de miljardair! noem ik dat niet voor niets de financiële revolutie van Piketty. Ik wil die revolutie helpen versnellen.
En daar zit inmiddels mijn persoonlijke missie. Ik wil niet proberen Piketty als econoom te overtreffen. Dat zou nogal pretentieus zijn. Hij heeft het wetenschappelijke werk gedaan. Wat ik wél wil, is zoveel mogelijk mensen laten zien wat hij heeft ontdekt. Want een ontdekking die alleen bekend is bij economen, wetenschappers, politici en mensen die bereid zijn een boek van honderden pagina's te lezen, verandert de wereld uiteindelijk niet. Pas wanneer gewone mensen begrijpen wat er gebeurt, ontstaat er voldoende maatschappelijke druk om de spelregels werkelijk te veranderen. Precies daarom heb ik mijn eigen boek bewust eenvoudiger geschreven. Veel mensen haken af bij dikke, ingewikkelde boeken, terwijl juist de boodschap zo belangrijk is.
Ik merk ook dat mijn eigen denken hierover in de loop der jaren verder is gegaan. Eerst keek ik vooral naar de enorme verschillen in vermogen, maar steeds meer zie ik dat het uiteindelijk niet alleen om geld draait. Het gaat om macht. Een miljardair heeft niet alleen een groter huis of een groter jacht dan iemand met tien miljoen. Met miljarden kun je bedrijven kopen, enorme aandelenbelangen opbouwen, grond en vastgoed bezitten, lobbyisten betalen, politieke invloed financieren en vooral: je kunt bepalen wie toegang krijgt tot jouw kapitaal. In mijn recentere artikelen ben ik daarom steeds teruggekomen op één vraag die voor mij bijna alles samenvat: wie kan tegen wie nee zeggen?
Een werknemer die morgen bij vijf andere werkgevers terechtkan, kan veel gemakkelijker nee zeggen tegen een slechte werkgever dan iemand die nergens anders heen kan. Een huurder die kan kiezen uit twintig woningen heeft een andere positie tegenover een verhuurder dan iemand die met honderd anderen op één woning reageert. En een ondernemer die tien financiers aan tafel heeft, kan tegen een investeerder zeggen: jullie willen twintig procent van mijn bedrijf? Dan ga ik naar iemand anders. Wie alternatieven heeft, heeft macht. Wie afhankelijk is, heeft veel minder macht. En bezit geeft alternatieven. Dat is precies waarom de concentratie van vermogen veel verder gaat dan de vraag hoeveel iemand op zijn bankrekening heeft.
Dat laatste vind ik belangrijk omdat de discussie over miljardairs mij vaak enorm frustreert. Het gaat dan over privéjets, superjachten en villa's. Dat spreekt natuurlijk tot de verbeelding, maar daar zit voor mij niet het echte probleem. Laat iemand twintig Ferrari's kopen als hij daar gelukkig van wordt. Ik heb niets tegen rijke mensen en ik heb al helemaal niets tegen ondernemerschap. Ik vind het fantastisch wanneer iemand iets bouwt, risico neemt, mensen aan het werk helpt, succesvol wordt en daar zelf rijk van wordt. Heel rijk zelfs. Waar ik moeite mee heb, is een systeem waarin bestaand bezit zichzelf zo sterk kan versterken dat een steeds kleinere groep uiteindelijk een steeds groter deel van de aandelen, bedrijven, vastgoed, grond en daarmee ook economische macht in handen krijgt.
En dan gebeurt er iets vreemds. Zodra je voorstelt de spelregels te veranderen, beginnen mensen onmiddellijk uit te leggen waarom dat niet kan door te beschrijven hoe het systeem vandaag functioneert. “Maar rijke mensen investeren.” Ja, nu. “Maar ondernemers hebben grote investeerders nodig.” Onder de huidige verhoudingen vaak wel. “Maar als je zeer grote vermogens fors belast, verdwijnt het investeringskapitaal.” Waarom zou dat automatisch zo zijn? Waarom nemen we aan dat we de regels fundamenteel veranderen, maar dat alle andere spelers daarna precies hetzelfde blijven doen? Een economie werkt zo niet. Bedrijven passen zich aan, investeerders passen zich aan, nieuwe financieringsvormen ontstaan, prijzen veranderen en machtsverhoudingen veranderen. Dat is een van de punten waar ik mij de laatste tijd steeds sterker in heb vastgebeten: als je de spelregels verandert, verandert ook het spel.
Stel dat er 100 miljard euro beschikbaar is voor investeringen. In de ene economie wordt dat geld gecontroleerd door tien enorme partijen. In een andere economie is precies dezelfde 100 miljard verdeeld over tienduizenden kleinere vermogende partijen. Er is geen euro bijgekomen en toch krijg je een andere wereld. In het eerste geval moeten heel veel ondernemers proberen binnen te komen bij een paar machtige financiers. In het tweede geval moeten veel meer financiers concurreren om in de beste bedrijven te mogen investeren. Ineens kan de ondernemer zeggen: jij wilt twintig procent? De volgende vraagt acht procent. Dan kies ik die. De hoeveelheid geld is dezelfde, maar de machtsverhouding verandert. Dat voorbeeld gebruik ik bewust vaker, omdat het voor mij laat zien dat vermogensspreiding niet alleen over geld gaat maar ook over keuzevrijheid.
En dan komen we bij iets wat in de hele discussie volgens mij bijna op zijn kop wordt gezet. Een forse belasting op extreme vermogens wordt vaak voorgesteld als een aanval op rijk worden. Ik zie het juist andersom. Ik wil dat veel méér mensen rijk kunnen worden. Niet dat iedereen hetzelfde eindigt. Dat hoeft helemaal niet. Mensen mogen risico nemen, bedrijven bouwen en buitengewoon succesvol zijn. Maar ik wil dat iemand die zonder vermogen wordt geboren een serieuze kans krijgt om zelf bezit op te bouwen. Een huis. Aandelen. Een bedrijf. Spaargeld. Investeringen. Financiële vrijheid. Ik wil dat niet alleen een kleine groep profiteert van het geweldige mechanisme waarbij kapitaal nieuw kapitaal kan opleveren, maar dat veel meer mensen eigenaar kunnen worden. Het gaat mij niet om iedereen hetzelfde laten eindigen, maar om veel meer mensen een serieuze kans te geven om te beginnen.
Dat is ook de reden waarom ik de website Superrijkenbelasting ben begonnen. Ik wil niet alleen schrijven en uitleggen. Ik wil ook zichtbaar maken hoeveel mensen vinden dat de spelregels moeten veranderen. Op de website kunnen mensen zich uitspreken voor een forse vermogensbelasting op extreme vermogens. Ik houd daar per land een teller bij van hoeveel mensen al voor zo'n belasting hebben gestemd. Dat vind ik belangrijk, omdat politici makkelijk kunnen zeggen dat gewone burgers hier niet mee bezig zijn of dat er geen draagvlak voor bestaat. Ik wil juist zichtbaar maken dat mensen over de hele wereld kunnen zeggen: wij vinden dat het anders moet. Niet door op straat stenen te gooien, niet door rijke mensen tot vijand te verklaren, maar gewoon door massaal en zichtbaar onze stem te laten horen.
Misschien is dat naïef. Misschien zeggen mensen dat één website de wereld niet verandert. Natuurlijk niet. Eén website verandert niets. Eén stem verandert bijna niets. Duizend stemmen waarschijnlijk ook nog niet. Maar wat gebeurt er bij honderdduizend? Tien miljoen? Honderd miljoen mensen uit tientallen landen die allemaal hetzelfde signaal geven? Op een bepaald moment verandert een individueel gevoel in maatschappelijk draagvlak. Daarom vind ik die teller per land zo belangrijk. Niet vanwege het getalletje zelf, maar omdat iedere stem een mens is die zegt: ik zie dat extreme vermogensconcentratie een probleem is en ik wil dat we daar iets aan doen.
Soms maakt het mij werkelijk moedeloos dat we deze discussie na zoveel jaren nog steeds voeren alsof het probleem gisteren is ontdekt. Piketty heeft zijn werk gedaan. Andere economen en wetenschappers hebben daarna verder onderzoek gedaan. We weten dat vermogen zich kan concentreren en we weten dat enorme vermogens enorme economische en soms politieke macht geven. In mijn boek schrijf ik over de gevolgen die ik daarin zie: groeiende frustratie, ongelijke kansen en de aantasting van vertrouwen in democratie en samenleving. Toch blijven we vaak hangen bij kleine aanpassingen, uitzonderingen en bezwaren over de uitvoering.
Begrijp mij goed: die uitvoeringsvragen zijn belangrijk. Hoe waardeer je aandelen in een niet-beursgenoteerd bedrijf? Hoe voorkom je ontwijking? Wat doe je als landen niet meedoen? Daar moeten goede antwoorden op komen. Maar soms voelt het alsof iemand roept dat het huis in brand staat en de eerste discussie vervolgens gaat over de diameter van de brandslang. Eerst moeten genoeg mensen zien dát er brand is. Daarna kunnen we samen de beste brandweer organiseren.
Misschien verklaart dat ook mijn vasthoudendheid. Ik kan dit onderwerp niet meer loslaten. Hoe meer ik erover lees en nadenk, hoe sterker ik ervan overtuigd raak dat we naar de verkeerde vraag kijken. De vraag is voor mij niet: hoeveel geld mogen we van een miljardair afpakken? De vraag is: welk financieel systeem geeft zoveel mogelijk mensen de mogelijkheid om zelf vermogen, vrijheid en economische macht op te bouwen? Dat is een veel positievere vraag. En volgens mij ook een veel interessantere.
Zeker nu. We staan aan het begin van een periode waarin kunstmatige intelligentie, robotisering en automatisering waarschijnlijk enorme hoeveelheden extra welvaart kunnen creëren. Dat kan een zegen worden voor de mensheid, maar alleen als we goed nadenken over wie uiteindelijk eigenaar wordt van die vooruitgang. Als steeds dezelfde kleine groep de bedrijven, machines, algoritmen en aandelen bezit, kan technologie de vermogensconcentratie verder versterken. Maar als we andere spelregels maken, kan precies dezelfde technologische revolutie ervoor zorgen dat veel meer mensen financieel vrijer worden. Daar zit voor mij de hoop.
Want dit systeem is geen natuurwet. Dat vergeten we voortdurend. Eigendom bestaat binnen wetten. Erfenissen bestaan binnen wetten. Bedrijven, aandelen en belastingen bestaan binnen regels die mensen hebben bedacht. Als regels ongewenste uitkomsten blijven produceren, mogen we die regels veranderen. Dat is geen aanval op kapitalisme. Dat is hoe een samenleving zich ontwikkelt. Andere regels creëren ander gedrag en uiteindelijk ook andere kansen en machtsverhoudingen. Daarom blijf ik schrijven. Daarom heb ik mijn boek geschreven. Daarom bestaat de website. En daarom wil ik de teller van stemmen per land steeds verder zien oplopen. Niet omdat ik miljardairs haat. Niet omdat ik wil dat iedereen evenveel heeft. En zeker niet omdat ik tegen succes ben. Het tegenovergestelde is waar. Ik wil een samenleving waarin veel meer mensen eigenaar kunnen worden, kunnen investeren, kunnen ondernemen en financieel onafhankelijk kunnen worden.
Piketty heeft voor mij ongeveer vijftien jaar geleden de systeemfout blootgelegd. Mijn ambitie is veel eenvoudiger: ik wil hem helpen ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen die fout gaan zien. Want pas als miljoenen mensen begrijpen hoe het mechanisme werkt, ontstaat de hoop dat we het ook werkelijk kunnen veranderen.
Ik wil niet dat minder mensen rijk worden. Ik wil dat zoveel mogelijk mensen rijk kúnnen worden.