
Sinds de aanval op Israël en de daaropvolgende oorlog in Gaza bepaalt in het debat niet meer wat iemand zegt, maar wie hij of zij is. Je ziet het bij veel verhitte kwesties: wie mag spreken en zegt de waarheid?
Joden en Israëli’s die in Israël wonen, er religieus verbonden zijn, of familie hebben die direct door het conflict wordt geraakt, worden geacht te beschikken over een 'authentiek' perspectief. Moslims en Palestijnen die in de bezette gebieden wonen, er religieus verbonden zijn, of familie hebben die direct door het conflict wordt getroffen, zouden vanzelf een moreel zwaarder wegende stem hebben. Gazanen of Israëli’s die lijden hebben per definitie gelijk.
Buitenstaanders rest in dat schema vooral terughoudendheid en zelfreflectie over hun positie in de impliciete rangorde. Dat oogt op het eerste gezicht redelijk. Tot duidelijk wordt dat niet langer de vraag centraal staat welke argumenten standhouden, maar wie op grond van etniciteit mag spreken. Inhoud wordt daarmee secundair.
Ervaring en betrokkenheid verklaren waarom iemand spreekt vanuit ervaren noodzaak, waarom emoties oplaaien en waarom formuleringen scherper worden dan in een academisch college gebruikelijk is. Maar betrokkenheid is geen vervanging voor kennis.
Wie een discussie wil verdiepen, moet verschillende invalshoeken onderzoeken: empirische gegevens, historische context, juridische kaders, politieke structuren, strategische belangen, diplomatieke dynamiek en ethische overwegingen. Ontbreekt dit analytische kader, dan verschuift betrokkenheid al snel naar loyaliteit en verliest analyse aan reikwijdte. Juist directe nabijheid tot het conflict vergroot het risico op tunnelvisie. Emotionele nabijheid en analytische distantie vallen zelden vanzelf samen.
Een rationeel debat vergt toetsing van argumenten, niet van afkomst of groepslidmaatschap. Internationaal recht biedt daarvoor bijvoorbeeld een bruikbare maatstaf: bezetting, zelfverdediging, terrorisme, onderdrukking, humanitair handelen, bescherming van burgers, mensenrechten en de schending van fundamentele rechten. Valide argumenten zijn transparant, controleerbaar en intern consistent. Ze laten zich bekritiseren en, indien nodig, corrigeren.
Wat hier optreedt is identiteitsdenken: het toekennen van argumentatief gewicht op grond van afkomst in plaats van op grond van toetsbare analyse. Het introduceert een impliciete morele hiërarchie waarin niet de kwaliteit van het argument doorslaggevend is, maar de positie van degene die het uitspreekt. Argumenten worden ondergeschikt gemaakt aan motieven, en motieven aan herkomst. De discussie verschuift daarmee van inhoud naar afkomst. Het zijn is bepalend.
Een dergelijke ordening heeft een voorspelbaar effect. Wanneer mensen primair als vertegenwoordigers van een etnische of sociale categorie worden aangesproken, ontstaan gesloten loyaliteitsstructuren. Binnen die structuren verschuift het denken van analyse naar morele positionering: het eigene geldt bij voorbaat als gerechtvaardigd, het andere als verdacht. Wrok neemt de plaats in van begrip, de werkelijkheid wordt gereduceerd tot een schema van goed en fout. In zo’n context verdwijnt niet alleen de ruimte voor nuance, maar is dialoog zelf fout, omdat elke vorm van kritiek als verraad kan worden uitgelegd. Toetsing van argumenten wordt daarmee praktisch onmogelijk.
Bovendien komt daar een extra dimensie bij: naast denken in afkomst ontstaan onverzettelijke standpunten gebaseerd op ideologie, al dan niet verweven met religie. Dat creëert een diepgeworteld wij-tegen-zij-denken.
Argumenten worden daarbij geselecteerd als boodschappen uit een supermarkt: alleen datgene wat het eigen standpunt bevestigt, wordt meegenomen, de rest wordt genegeerd. Juist deze gekleurdheid maakt onafhankelijk kijken en denken lastig, waardoor belangrijke facetten van realiteiten over het hoofd worden gezien. De realiteiten van anderen doen er nauwelijks toe in het publieke en politieke debat.
Gevolg: dialoog stagneert, oplossingen raken uit het zicht, en het debat verandert van een zoektocht naar een mogelijke waarheid in een uitwisseling van bevestigingen en wrok.
Daarbovenop versterken buitenstaanders die zich als supporters identificeren de polarisatie. Ze behoren niet tot de zogenoemde authentieke groepen, maar demonstreren en spreken alsof ze dat wel doen. Hun loyaliteit is vaak ideologisch, politiek of emotioneel gemotiveerd, niet analytisch, en hun argumenten worden selectief gekozen om de eigen positie te bevestigen.
De realiteiten van anderen, inclusief die van directe betrokkenen, doen er nauwelijks toe. Zo groeit de kring van onverzettelijke stemmen, wordt het wij-tegen-zij-denken verder verhard en raken oplossingen uit het zicht.
Wie het debat langs identiteitslijnen ordent, sluit dus niet alleen stemmen uit en intensiveert de polarisatie, maar ondermijnt ook de voorwaarden voor correctie, analyse, onderzoek en wederzijds begrip. Het resultaat is geen grotere betrokkenheid, maar een verharding van posities en verlies van analytisch vermogen om tot oplossingen te komen.
Het risico daarvan is evident. Tunnelvisie vertekent dde werkelijkheid. Identiteit kan geen criterium zijn voor de geldigheid van argumenten. Zowel Joden en Israëli’s als Palestijnen en Moslims lopen het gevaar dat persoonlijke betrokkenheid het overzicht beperkt en dat complexe analyses worden gereduceerd tot biografische claims.
Een vergelijkbare dynamiek is zichtbaar in discussies over racisme, discriminatie en seksisme, waar groepslidmaatschap steeds vaker wordt opgevat als epistemologisch privilege en afstand tot de groep als diskwalificatie. Het debat verliest daarmee zijn inhoudelijke karakter en wordt een uitwisseling van identiteit en loyaliteiten.
Juist daarom is een gemeenschappelijke maatstaf noodzakelijk. Analyse moet gebaseerd zijn op bewijs en in overeenstemming zijn met wetenschappelijke, juridische en ethische kaders. Kritiek op beleid, instituties of structuren is geen kritiek op identiteit. Morele oordelen kunnen niet functioneren zonder deze noodzakelijke toetsing. Alleen binnen een dergelijk kader zijn uitspraken over rechtvaardigheid, realistische mogelijkheden, verantwoordelijkheid en politieke handelingsopties verdedigbaar en uitkomsten haalbaar.
Identiteit kan een legitiem beginpunt zijn van betrokkenheid bij een kwestie of sociale beweging. Ze verklaart waarom iemand spreekt en waarom een onderwerp als urgent wordt ervaren. Maar zij kan niet de richting van het debat bepalen. Je hoeft niet tot de groep te behoren om met recht te mogen spreken. Dat zou opkomen voor ddierenrechten immers ook onmogelijk maken.Een sociale beweging bestaat nooit alleen uit direct betrokkenen en getroffenen.
Wanneer het onderscheid vervaagt, worden belangen ontkend, historische complexiteit gereduceerd en wordt leed selectief zichtbaar gemaakt - vaak in de overtuiging dat jij en jouw groep juist moreel handelen. Argumenten behoren altijd leidend te zijn; afkomst, loyaliteit en emotionele nabijheid zijn niet van doorslaggevende factor. Een patiënt is geen arts. Wel moet er sprake zijn van - naast kennis van zaken - empathie en compassie. Je inleven in de ander geeft gelukkig dikwijls beperkingen in eigen handelen en inzicht in lijden.
Joden, Israëli’s, Moslims, Gazanen, zwarten en witten, homo’s en hetero’s, vrouwen en mannen: betrokkenheid verleent het recht om te spreken en gehoord te worden.
Iedereen die direct geraakt wordt door onrecht, discriminatie of conflict kan en moet zijn perspectief inbrengen. Dat recht impliceert echter niet dat een stem automatisch meer gewicht heeft. Gewicht ontstaat door kennis, analyse, toetsing aan feiten, wetenschappelijke inzichten, internationaal recht en ethische reflectie.
Wanneer identiteit tot argument wordt verheven, maakt rationaliteit plaats voor loyaliteit en zo neemt de polarisatie toe en verliest het debat zijn vermogen tot nuance en zelfcorrectie. Verharding van het debat en botsingen liggen dan op de loer. Zo starten oorlogen.
Er is geen dogmatisme in denken nodig noch fundamentalisme in identiteit, wel is er de noodzaak tot meer (zelf)analyse, (zelf)reflectie en (zelf)spot. In de helikopter stappen en boven het probleem uitstijgen in plaats van het probleem op de grond van bestaan te verergeren. Een vlucht naar oplossingen.
Betrokkenheid verklaart het kijken; kennis bepaalt de waarde van het zien. Alleen wanneer dat onderscheid consequent wordt gehandhaafd, kan met overzicht, verantwoordelijkheid en een beetje wijsheid worden gesproken. Dan kan een democratisch debat over internationale conflicten en maatschappelijke kwesties recht doen aan complexiteit, feiten, ethiek en de belangen van alle betrokkenen.
Wie argumenten laat overheersen boven afkomst, houdt het debat open; wie identiteit tot alleenrecht van spreken maakt, sluit ontmoetingen met oplossingen af - en met zo'n polarisatie verdwijnt de nuance en arriveert wrok.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.