
Door: Bas Guldemond
We hebben onze digitale samenleving gebouwd op systemen waarvan we de sleutels niet meer zelf vasthouden. Dat klinkt als een abstract probleem, totdat je beseft wat er werkelijk achter die poorten schuilgaat: onze identiteit, onze medische gegevens, onze toegang tot de overheid. Het gaat niet langer om efficiëntie of kostenbesparing. Het gaat om macht, zeggenschap en vertrouwen. En nu de politieke relatie met de Verenigde Staten steeds grilliger wordt, voelt die afhankelijkheid ineens niet meer als gemak, maar als een risico dat we zelf hebben gecreëerd.
Die afhankelijkheid zie je het duidelijkst bij de digitale diensten waar miljoenen Nederlanders dagelijks op vertrouwen. Inloggen met DigiD, een toeslag aanvragen, een medische uitslag bekijken: het lijkt allemaal keurig Nederlands geregeld, maar onder de motorkap draait veel op infrastructuur van Amerikaanse bedrijven. Kyndryl is daar een van. Een bedrijf dat opereert onder Amerikaanse wetgeving, niet onder de onze. Niet omdat iemand ooit besloot dat onze digitale ruggengraat buitenlands bezit moest worden, maar omdat we jarenlang publieke infrastructuur hebben uitbesteed aan de markt — en die markt is steeds verder geconcentreerd geraakt rond dezelfde paar techreuzen.
Wat ooit een technische keuze leek, is inmiddels een politieke realiteit. Digitale infrastructuur is geen neutrale onderlaag meer, maar een machtsmiddel. Wie afhankelijk is van Amerikaanse techbedrijven, is indirect afhankelijk van de politieke koers in Washington. Een handelsconflict, een sanctiepakket, een beleidswijziging: het kan zomaar gevolgen hebben voor onze publieke dienstverlening. Dat is geen doemdenken, maar een strategische kwetsbaarheid die we te lang hebben genegeerd.
Vaak wordt er gewezen op de AVG, alsof die ons beschermt tegen alles wat mis kan gaan. Maar dat is maar half waar. Bedrijven als Kyndryl vallen onder de Amerikaanse CLOUD Act, die Amerikaanse autoriteiten in theorie toegang kan geven tot gegevens, ongeacht waar die staan. Juridisch ingewikkeld, politiek glashelder: de uiteindelijke zeggenschap over cruciale digitale infrastructuur ligt niet volledig bij onze eigen democratische instituties. De AVG beschermt privacy, maar geen soevereiniteit.
En zo ontstaat een ongemakkelijke waarheid. De digitale staat rust op fundamenten die we niet zelf beheren. We hebben vitale publieke functies afhankelijk gemaakt van bedrijven en rechtsstelsels waar burgers geen enkele invloed op hebben. Digitale infrastructuur is zo een stille machtsfactor geworden, buiten het zicht van parlement en kiezer. Zolang dat zo blijft, is “digitale autonomie” vooral een mooi woord voor iets wat we feitelijk niet hebben.
Wie dat wil veranderen, moet stoppen met doen alsof deze afhankelijkheid vanzelfsprekend is. Digitale infrastructuur is geen luxeproduct, maar een publieke basisvoorziening — net zo essentieel als spoor, water of energie. Dat betekent investeren in Europese en publieke alternatieven, het terughalen van cruciale systemen naar publieke handen en het doorbreken van aanbestedingsroutines die ons telkens bij dezelfde buitenlandse techbedrijven laten uitkomen. Niet alles hoeft morgen anders, maar digitale identiteit en kernsystemen zouden geen handelswaar mogen zijn.
Zolang we de sleutels blijven uitbesteden, hoeven we ons niet af te vragen wie de poorten bewaakt. Het antwoord is dan nooit wijzelf.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.