
Vrijdag gingen boeren weer eens de straat op met hun tractoren om te demonstreren tegen maatregelen die de natuur en het milieu kunnen redden en dit keer kwam daar letterlijk een ongeluk van. Twee mensen lieten het leven. De politie wist van te voren al dat de boeren de snelweg op zou gaan en besloot niet in te zullen grijpen. Dit is niet nieuw. Eerder konden boeren ook over de snelweg rijden met tractoren, hooibalen in de fik steken, mest op straat lozen, een provinciehuis in Groningen binnenrijden, een minister thuis opzoeken en hun nummerplaten afplakken zonder dat politie echt ingreep.
Het lijkt wel of mensen die de sfeer, het land en/of het milieu verzieken meer sympathie en steun krijgen dan de mensen die opkomen voor barmhartigheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en een fijne leefomgeving. Demonstranten die een weg blokkeren omdat ze niet langer willen dat er subsidie (belastinggeld) naar vervuilende bedrijven gaat worden zwart gemaakt en de boeren die willen blijven vervuilen - en zelfs met hun protesten het milieu nog eens extra belasten - krijgen vrij baan. Dit hoor je ook in interviews met mensen op straat; voor de boeren is alle begrip, voor Extinction Rebellion totaal niet. Hetzelfde geldt voor andere protesten. De mensen die zich zorgen maken over mensenrechten en oorlogsgeweld worden als Antifa op een hoop gegooid en als groep verboden en mensen die met vuurwerk, vernielingen, bedreigingen en intimidatie protesteren tegen de komst van asielzoekers en zich verenigen als Defend Netherlands worden bezorgde burgers genoemd wiens gedrag we niet ‘politiek’ mogen maken.
Voor onverdraagzaamheid is blijkbaar meer begrip en steun, dan voor de roep om solidariteit. Zelfs als die roep om haat en vervuiling gepaard gaat met nazi-vlaggen, hitlergroeten of het kopiëren van de davidster om aan te geven dat de huidige boeren het minstens zo zwaar hebben als de joden in de Tweede Wereldoorlog. Ik begrijp hier weinig van.
En ik begrijp sowieso weinig van het gedrag van de boeren en nog minder van de politici die de boeren - en andere vervuilende bedrijven - naar de mond blijven praten. Vanaf begin jaren zeventig is al bekend dat onze jacht op grondstoffen de aarde uitholt en dat onze manier van leven en produceren leidt tot klimaatverandering en schade aan de natuur. In 1988 werd duidelijk dat er echt iets gedaan moest worden. Dat vonden zelfs regeringsleiders als Bush senior en Margaret Thatcher. Er werden veel plannen gemaak en internationale akkoorden gesloten, maar er gebeurde weinig. Integendeel. Er kwamen lobbygroepen die gericht waren op het onderuit halen van elk wetenschappelijk onderzoek over klimaatverandering, grote (vervuilende) bedrijven werden beschermd en boeren werden onder andere door banken overgehaald zelf een groot vervuilend bedrijf te worden.
Daar zitten we nu nog steeds. Boerderijen zijn in ons land uitgegroeid tot enorme ondernemingen die vooral produceren voor de export, kunstmest, pesticiden en andere chemicaliën gebruiken om de productie op te drijven, die winst dikwijls voor dierenwelzijn plaatsen en kampen met een mestoverschot dat het milieu nog extra belast. Alle maatregelen hiertegen worden geblokkeerd of op de lange baan geschoven en wie nieuwe voorstellen doet, riskeert files op de snelweg, brandende hooibalen in de berm, een lading mest op een marktplein, een karikatuur van de davidster of intimiderend gedrag aan huis. Hier is blijkbaar alle begrip voor, terwijl het onbegrijpelijk zou moeten zijn.