
Het nieuws werd deze week gebracht als een daad van krachtig bestuur: het kabinet gaat 3,5 miljard euro bezuinigen op de rijksoverheid en schrapt de komende jaren circa 25.000 ambtelijke banen. Vooral binnen de VVD heerst vreugde. Eindelijk wordt het ambtelijk apparaat aangepakt! Maar wie door dit politieke triomfalisme heen kijkt, ziet de cynische ironie van een macht die vastzit in haar eigen schaduw. Wat wordt gepresenteerd als een daad van kordaat saneren, is in werkelijkheid een vergeefse poging tot het opruimen van een ravage die twee decennia van neoliberaal markt- en rendementsdenken zelf heeft veroorzaakt.
De kramp van het huidige kabinet is het naadloze bewijs van het gelijk van wijlen bestuurskundige en historicus Mathieu Segers: hoe chronisch de visieloosheid van politiek Den Haag is geworden door het lange, visieloze Rutte-tijdperk. Onder dit langdurige bewind werd beleid gereduceerd tot een kille, boekhoudkundige exercitie. Visie werd door Mark Rutte ooit roemrucht getypeerd als "een olifant die het zicht ontneemt". Zonder ideologisch fundament of principiële visie op wat de staat moet zijn, is de overheid gestript van haar democratische waarden. Het resultaat is een zielloze bestuurscultuur die drijft op technocratisch opportunisme en procesmanagement. Men managet de krimp, maar bestuurt het land niet.
Onder deze neoliberale leegte explodeerde het aantal ambtenaren paradoxaal genoeg. Dat was geen toeval of natuurverschijnsel, maar wat onder ons, sociologen, bekendstaat als de perverse gevolgen van kortzichtig en korte termijn 'rationeel handelen'. Gedreven door de dogma’s van het New Public Management dacht de politieke top efficiënt te besturen door alles te vangen in regels, KPI's en rekenmodellen. Een neoliberale markt-blauwdruk werd losgelaten op de overheid: een titanenapparaat met een monopoliepositie dat zich met het opportunisme van een marktwerker gedroeg, maar zonder de maatschappelijke verantwoordelijkheid die die macht met zich meebrengt.
Zo transformeerde de overheid van steunpilaar van de burger en een dienend sociaal vangnet in een wantrouwende controlestaat. De afstand die ontstond tussen het ambtelijk corps en de samenleving was géén inherente beweging van de bureaucratie zelf, maar het directe effect van een neo-liberale managementstijl. Bij instanties als de Belastingdienst, het UWV en DUO werd het ambtenaren stelselmatig ontmoedigd om bij 'complexe gevallen' nog het gesprek aan te gaan met de mens van vlees en bloed. Het ambtelijk apparaat werd zo bewust vervreemd van de burger. Om burgers te controleren, algoritmes te voeden en inwoners te persen in kille, economisch gewenste uitkomsten, waren massaal nieuwe managers en controleurs nodig.
Het verwoestende resultaat van dit technocratische cynisme kennen we inmiddels: het toeslagenschandaal, de DUO-fraudejacht en een verlammende kramp op de werkvloer waar de menselijke maat werd gesmoord. Het afschrikkingsweb dat de burger moest wantrouwen, maakte het systeem uiteindelijk duurder, logger én onmenselijker. Inmiddels leven juist degenen met de meest kwetsbare positie in voortdurende angst voor een systeem dat hun precaire leefwereld vermorzelt.
Dat exact de erfgenamen van deze bestuurscultuur zich nu opwerpen als bevrijders van de 'overbodige ambtelijke druk', is de ultieme uiting van politieke deconfiture. De bezuiniging op 25.000 ambtenarenbanen is een bliksemafleider. In plaats van een principieel verhaal te bieden over hoe we het geschonden vertrouwen in de overheid herstellen, kiest men voor de lafheid van de kaasschaaf. De politieke top eist de krimp, maar laat de ambtelijke leiding bepalen waar de klappen vallen. Zo wordt de ambtenaar gereduceerd tot een inwisselbare 'fte' en een kostenpost, waarmee het institutionele geheugen van onze democratie verder wordt afgebroken.
Als er werkelijk sprake was van een grote maatschappelijke gedachte, dan worden die overheidsdienaren niet bij het grofvuil gezet. Zeker, er zitten te veel managementlagen in het apparaat. Maar die capaciteit had hervormd moeten worden om de ruggengraat van de samenleving weer op te bouwen: het herstellen van de menselijke maat in de uitvoering en het bieden van echte maatschappelijke basiszekerheden.
De burger smacht niet naar de tucht van een neoliberale vrije markt die faalt in de zorg, de volkshuisvesting en het openbaar vervoer. De samenleving vraagt om een dienende overheid. Een staat die investeert in degelijk onderwijs, betaalbare zorg garandeert en inwoners beschermt.
Op de stoel van de macht zitten nog altijd de bestuurders die de taal van spreadsheets spreken, maar de taal van de samenleving niet meer verstaan. Pas wanneer de politiek stopt met wantrouwen als bestuursinstrument en breekt met de ontzieling van het overheidsapparaat, kan het vertrouwen herrijsen. Daar is geen kaasschaaf voor nodig, maar principiële moed.