
Wie de Iraanse democratie precies 73 jaar geleden omver wierp, kan zich vandaag niet voordoen als haar redder.
Op 19 augustus 1953 werd de regering van de Iraanse premier Mohammad Mossadegh ten val gebracht. Niet door een Iraanse volksopstand, maar door een door de Amerikaanse CIA en de Britse MI6 georganiseerde staatsgreep, bekend als Operation Ajax. De coup was gericht tegen een regering die juist haar democratische legitimiteit en Iraanse soevereiniteit centraal stelde. Het was een kantelpunt waarvan de gevolgen het moderne Iran diepgaand hebben gevormd. Juist daarom is het problematisch wanneer westerse leiders vandaag spreken over vrijheid, democratie en het bevrijden van het Iraanse volk, zonder de eigen rol in de Iraanse geschiedenis onder ogen te zien.
De feiten zijn namelijk ongemakkelijk. In 1951 kwam Mossadegh democratisch aan de macht. Zijn belangrijkste inzet was de nationalisatie van de Iraanse olie. De natuurlijke rijkdommen van Iran moesten volgens hem in de eerste plaats de Iraanse bevolking ten goede komen, niet buitenlandse bedrijven en mogendheden. Daarmee wilde hij de Britse invloed, vooral die van de Anglo-Iranian Oil Company (AIOC), terugdringen. Tegelijkertijd stond hij voor een meer seculiere en constitutionele koers, met meer macht voor het parlement en minder voor de monarchie.
Voor Groot-Brittannië stond er veel op het spel. De Iraanse olie-industrie was van enorm economisch belang en de nationalisatie vormde een directe bedreiging voor de Britse belangen. Washington raakte vervolgens steeds verder betrokken, mede vanuit de angst dat politieke instabiliteit Iran in de invloedssfeer van de Sovjet-Unie zou duwen. De oplossing die Londen en Washington uiteindelijk kozen, was echter geen steun aan de Iraanse democratie. Het was een staatsgreep.
Op 19 augustus 1953 werd Mossadegh afgezet. Hij werd gearresteerd, berecht en vervolgens jarenlang onder huisarrest geplaatst. De Shah (Iraanse koning), Mohammad Reza Pahlavi, keerde terug naar Iran en verstevigde zijn greep op de macht. Wat volgde was geen democratische wederopbouw, maar een steeds autoritairder bewind. De beruchte SAVAK (veiligheidsdienst van de Shah) werd ingezet om politieke tegenstanders op te sporen, gevangen te zetten en te martelen, terwijl de ruimte voor politieke oppositie steeds verder werd ingeperkt.
Daar ligt een van de grootste historische paradoxen van Iran. Het Westen hielp een democratisch-nationalistische regering omver die Iraanse onafhankelijkheid centraal stelde en steunde vervolgens jarenlang een autoritaire monarch die vrijwel alle politieke oppositie onderdrukte. Daarmee werd de politieke ruimte zo ver ingeperkt dat uiteindelijk vooral het netwerk van moskeeën en geestelijken als relatief onafhankelijke georganiseerde oppositie overeind bleef. En 26 jaar later keek datzelfde Westen verbaasd toe toen de islamitische revolutie uitbrak.
Natuurlijk valt niet te bewijzen dat Iran zonder de coup van 1953 automatisch een stabiele democratie zou zijn geworden. Geschiedenis kent namelijk geen alternatieve tijdlijn. Maar het is minstens zo simplistisch om te doen alsof de revolutie van 1979 uit het niets kwam. Wanneer politieke ruimte decennialang wordt afgebroken en vrijwel alle oppositie wordt onderdrukt, is het niet vreemd dat uiteindelijk de best georganiseerde oppositie de grootste invloed krijgt.
Maar de confrontatie met Iran eindigde niet met de val van de Shah. Tijdens de Iran-Irakoorlog van 1980 tot 1988 steunden verschillende westerse landen het Irak van Saddam Hoessein. Het was dankzij westerse bedrijven en handelaren dat Irak de grondstoffen en middelen voor zijn chemische-wapenprogramma kon verkrijgen. Nederland speelde hierin een directe rol: de Nederlandse chemiehandelaar Frans van Anraat leverde grondstoffen die Irak gebruikte voor de productie van chemische wapens. Met deze wapens werden op grote schaal Iraniërs en Iraakse Koerden aangevallen. Toch bleef de internationale reactie lange tijd opvallend terughoudend. Het Westen leverde dus de middelen, terwijl Iran en Iraakse Koerden de slachtoffers werden.
Daarna volgden decennia van sancties tegen Iran. Die zouden de machthebbers moeten raken, maar treffen in de praktijk voornamelijk gewone burgers. Als sancties vooral de samenleving verarmen, wie wordt er dan eigenlijk gestraft?
Ook vandaag betaalt de Iraanse bevolking opnieuw een zware prijs voor westerse geopolitieke escalatie. Burgers worden in de illegale oorlog van de VS en proxy-Israël gedood en vitale civiele infrastructuur wordt beschadigd of verwoest. Ziekenhuizen, scholen en woonwijken worden geraakt. Dat verdient veroordeling, ongeacht welke vlag boven de aanvallende partij hangt. Burgers mogen nooit de prijs betalen voor geopolitieke machtspolitiek.
Dit is geen verdediging van het Iraanse regime. De onderdrukking, executies en mensenrechtenschendingen van de Islamitische Republiek zijn verwerpelijk. Maar twee dingen kunnen tegelijkertijd waar zijn: het Iraanse regime kan repressief zijn én het Westen kan een lange geschiedenis hebben van inmenging, economische druk en militaire escalatie. Juist die twee werkelijkheden worden in het publieke debat te vaak tegenover elkaar gezet, alsof het erkennen van het ene automatisch betekent dat het andere moet worden ontkend.
Iran wordt in het Westen maar al te gemakkelijk gereduceerd tot “het islamitische regime”, alsof de Iraanse geschiedenis in 1979 begon. Alsof Mossadegh nooit heeft bestaan. Alsof Iran nooit een democratische beweging heeft gekend. Alsof de strijd om Iraanse soevereiniteit en controle over de eigen grondstoffen geen onderdeel van die geschiedenis is. Maar de strijd tussen Iran en het Westen begon niet met de ayatollahs.
Iran kende al vóór de islamitische revolutie een sterke onafhankelijkheidsbeweging. Mossadegh stond voor een politiek waarin Iraanse olie in Iraanse handen moest zijn en waarin volkssoevereiniteit zwaarder woog dan buitenlandse belangen. Die democratische regering werd door het Westen ten val gebracht. Vervolgens werd een autoritaire Shah gesteund, waarna een revolutie volgde die het land fundamenteel veranderde. Daarna kwamen oorlog, buitenlandse inmenging, economische sancties en decennia van geopolitieke confrontatie die tot op de dag van vandaag het land verscheuren.
Dat betekent niet dat iedere ontwikkeling in Iran door het Westen is veroorzaakt. De Islamitische Republiek draagt zelf verantwoordelijkheid voor haar eigen keuzes en misdaden. Maar wie werkelijk wil begrijpen waarom zoveel Iraniërs, voornamelijk in Iran zelf, diep wantrouwen voelen tegenover het Westen, zal ook in de spiegel moeten kijken.
De moderne Iraanse geschiedenis is niet simpelweg “de islam tegen het Westen”. Het is óók het verhaal van een volk dat herhaaldelijk heeft geprobeerd zelf over zijn politieke en economische toekomst te beslissen, en van buitenlandse machten die zich daarmee bemoeiden zodra hun eigen strategische of economische belangen in het gedrang kwamen.
Daarom is 19 augustus 1953 de herinnering aan een ongemakkelijke waarheid: democratie en zelfbeschikking zijn blijkbaar niet altijd onvoorwaardelijke westerse waarden geweest wanneer ze botsten met westerse belangen. En precies daarom kunnen degenen die in 1953 hielpen de Iraanse democratie omver te werpen, zich vandaag niet zonder meer presenteren als haar redder.
Als het Westen werkelijk aan de kant van het Iraanse volk wil staan, begint dat niet met bommen, sancties of geopolitieke machtspolitiek.
Het begint met het erkennen van het recht van de Iraniërs om zelf over hun toekomst te beslissen.